ARNHEM - Na de Slag om Arnhem moest de bevolking evacueren. In alle haast werden spullen bijeengegraaid en daar ging men. Een kilometerslange vlucht, met bange en huilende kinderen.
Sommigen niet ouder dan zes weken, zoals Rob Schulte. Dien Schulte-Holland (96) herinnert zich die tijd als de dag van gisteren.
Ze bladert door de brieven en kaarten uit 1939. Liefdesbrieven uit de verkeringstijd met Bertus.
Het enige van waarde wat de toen 31-jarige Dien Schulte-Holland (1913) mee kon nemen tijdens de evacuatie uit Arnhem in 1944. Ze lagen verstopt onderin de kinderwagen, waarin de zes weken oude Rob werd vervoerd. Haar oudste, Marijke, was pas anderhalf.
Angst, herinnert ze zich vooral. Negen maanden lang angst. "We moesten Arnhem verlaten. Begin oktober zijn we met een wit laken aan een stok naar kasteel Rozendaal gelopen. Bertus en ik met de kinderen, mijn ouders, oom Theo en tante Bets met mijn nichtje Henny. Op het kasteel werkte een nicht van mijn moeder in de bediening, haar man was huisknecht en koetsier. We konden daar terecht in een oud boerenhuisje op het terrein."
Langs het terrein stonden veel Duitse tanks geparkeerd, weet ze nog. "Die werden nog wel eens gebombardeerd door de Engelsen. Ook is er een keer een tank het huis ingereden. De bestuurder was dronken."
Het enige wat Dien Schulte bij zich had, waren de kleren die ze droeg. "Mijn schoonvader is nog teruggegaan om kleren te halen. Hij had maar heel even de tijd. Hij nam een mantelpakje mee, grijs met een zwarte streep. Heel onpraktisch. Op het laatst had ik de schoenen van Bertus aan."
Na tien dagen moesten ze uit Rozendaal weg. "Op de bomen waren pamfletten aangebracht. Als we niet vertrokken, zouden de mannen als saboteur worden aangezien."
Toen begon de vlucht. "Vreselijk. Een stroom van mensen, groentewagens met meubilair, een lijkwagen volgepropt met goederen. De vliegtuigen kwamen heel laag over, we moesten steeds de loopgraven in om te schuilen."
De tocht ging naar Ede. "Daar was het een chaos. Ouderen en mensen met kinderen hadden voorrang. We werden in een heel groot lokaal van een school gestopt, dat vol lag met hooi. Er was geen licht, geen water, de een huilde, de ander had diarree. Bertus wilde vlak bij de ingang liggen, want hij was bang voor brand."
De volgende dag trokken het gezin van Dien Schulte en haar ouders naar Amersfoort, waar nicht Annie woonde. "We hebben daar negen maanden gezeten. Wat zich daar heeft afgespeeld..."
Dien Schulte zwijgt even. "Annie had in de tuin allemaal groenten en aardappelen ingekuild. Iedere avond liep ze eromheen om te kijken of wij niets hadden gepikt. Ik ging met mijn schoonvader, die in Baarn zat, de boer op om eten te halen. Mijn moeder paste dan op de kinderen. Ik ben een keer gevallen met de fiets. Alle eten rolde uit mijn fietstassen. Er kwamen allemaal mensen en pikten dat van me af. Maar het werd steeds minder, we hadden op het laatst niets meer. Toen moesten we naar de gaarkeuken. Daar moest je uren in de rij staan. Ik herinner me alleen nog de soep en de erwtjes. Bertus zei altijd: bewaar wat voor morgen. Maar dan was de soep zuur.
"Het was op het laatst een hopeloze toestand. De verhoudingen werden steeds slechter. Annie en haar dochter hadden genoeg te eten, heerlijke maaltijden. Marijke van anderhalf keek er naar en vroeg: wat is ditte, wat is datte. Maar ze kreeg niks. Rob heb ik negen maanden borstvoeding gegeven. Waar het vandaan kwam, weet ik niet. Die hongerwinter vergeet ik nooit meer. Iedereen was zo mager geworden."
Toen ze in juni 1945 eindelijk terug mochten naar Arnhem, kwam dat als een verlossing. Maar daar wachtten hen onaangename verrassingen. "Arnhem was een spookstad. Ramen waren stuk, gordijnen wapperden in de wind, het vuil was hoog opgestapeld, overal lag puin. In huis was alles weg. Er stond alleen nog een theetafel met een barst erin. En een emmer met vuile luiers op de wc. De doeken hadden ze uit de schilderijlijsten gesneden. De weckpotten hadden ze als toilet gebruikt en die van boven naar beneden gegooid. Mijn fornuis vonden we terug, een paar huizen verder. Bertus en mijn schoonvader hebben die opgehaald. Maar we hadden in elk geval nog een huis. Mijn ouders woonden vlakbij de Rijn, in de Tramstraat. De halve straat en hun huis was weg."
Ze koestert de brieven en kaarten van Bertus. "Die heb ik nog steeds. Die hebben ze niet van me afgenomen."



Sorteer reacties










