1.
De muur
Zie ook:
met elk verwijt stapelen
de stenen zich hoger op
tot hij er dreigend staat;
de muur
met onze ruggen
dwars ertegen aan
gedrukt op dit
godverlaten uur
niet wat je zegt mijn lief
wat je niet zegt
doet helse pijn
toch zullen we
vanonder het puin
kruipend door het
stof en de eenzaamheid
elkaar weer zoeken en
vinden
Marjon Joosten
----------------------------------------------
2.
Penelope Pietersen hield heel erg van flaneren
Wel uren, soms wel dagen lang liep zij heen en ook were
Ze droeg altijd een mantelpak en soms een hoed met veren
Ze was verzot op smachten en op oeverloos begeren
Totdat ze op een mooie dag succes had bij drie heren
- ze vonden haar verrukkelijk, durfde ze zelfs te zweren –
Ze vroegen gelijktijdig of ze wel wilde verkeren
Maar Penelope Pietersen was niet meer te bekeren
Ze lachte schalks: nou, als het mag, zonder u te bezeren
zou ik het met u alledrie wel eens willen proberen
want het idee van maar één man vind ik niet te verteren...
en of dat goed gaat zien we wel, de tijd zal het ons leren
Van toen af aan flaneerden zij tesaam in mooie kleren
en heel tevreden zagen zij op deze weg nooit beren.
Joke Beltman
----------------------------------------------
3.
en ik weet wel, van de kilte
van de stijve stilte rondom ons
dat de woorden zullen vallen
en de liefde wordt gezocht.
maar laat me nu genieten
van dicht bij jou te zijn
van het goud, het licht, de zon
nog gevangen in het ons.
Ruth Klapwijk
----------------------------------------------
4.
Spijt
Als jij jouw toorn behoudt
Begraaf ik mijn eigenwaarde
En word ik een schaduw
Van jouw vasthoudendheid
Als jij ons zijn beschouwt
Als een illusie, zonder waarde
Dan rest er slechts mijn adem
Zorgend voor continuïteit
Ik heb een roos geplukt
Maar me verkeken op haar doorns
Ik heb een hoed gekocht
Doch onderschatte ik de wind
Een nevel van verslagenheid
Omstrengelt mij, alvorens
Ik het zand voorzie van woorden
Opdat jij me weer bemint
Ja, in het zand mijn smeekbede
Totdat de zee haar bruut verslindt
Lotte Vermeulen
----------------------------------------------
5.
Shanghai Hotel, kamer 305
Het vliegtuig gemist, bijna.
Gemiste vrouw, op één haar na.
Lang, stug, blond, en pas op
het laatste eind een kleine slag
naar binnen.
In het hotelbed nog maar net
ontsnapt aan lust door schuld.
Er is vast niets gebeurd.
Buren bij toeval, werken aan de grenzen
van het weten. De portier is aardig,
geeft de sleutels met een glimlach.
Borstzak rechts boven:
Kaartjes met mensen en steden. Notities.
Borstzak links boven:
Pasjes voor het geld, pasjes voor de slagboom.
Broekzak links onder.
Ontvangen berichten: gewist.
Verzonden berichten: gewist. Missed calls: one.
Die van mij. Beugeltas die, hap snap,
als vanzelf opengaat en dan weer dicht, vanzelf.
Blootsvoets ben ik, speurster naar geheime briefjes.
Gevonden: "because of you" en
"Maybe you want to take a rest first".
Een kaartje met de regels:
"Good night, don't smoke in bed"
en "The weather tomorrow".
Dit alles lees ik plechtig, stil, terwijl jij scheert:
Gemêleerde baard over één nacht ijs.
Geen moment zal ik je vervelen.
Liesbeth V. Hafenrichter
----------------------------------------------
6.
Vergankelijkheid
Zwalkend langs zompige poelen en ‘s herenwegen,
doorkruist mijn pad een oude spoorwegbaan.
Kaarsrecht en gestadig loopt zij langs mij hene,
slechts geplaagd door de jicht van verzengende roest
Gedesillusioneerd ligt zij wenend aan mijn voeten en
ijlt m
De ongenaakbaar groeiende kruidenweelde strekt zich naar alle denkbare kanten uit.
Dit onverdroten wassend groen heeft de laatste gedempte hoop op:
“Er kan, er zal nog eens een trein aan komen”
voorgoed omslingerd en verijdeld.
Zij zijn de stille maar ook ruis veroorzakende getuigen van
deze vergane glorie roest victorie,
Waarvoor ik eerbiedig nog eenmaal mijn onzichtbare hoed laat zijgen. ij toe: “de tijd is hard nietwaar?”
Ik voel treurig met haar mede en voorzie
dat deze rails haar beste tijd reeds lange heeft gehad
Gedegradeerd tot een pittoreske bezienswaardigheid
uit een lang vervlogen antieke doos,
waar een toevallig verdwaalde wandelaar
onbedoeld. maar onvermoeid zijn hiel mee licht.
Bijna nergens meer steun van haar maten,
de bielzen verdwenen bijna allen mettertijd.
Wat nog rest is half vermolmd of weggeroofd als kachelhout.
Verzachtte het de kille oorlogswinter of liet het verder een ieder lijdzaam koud?
Als ook ik dan verder strompel
en via een fragiel brugje toch weer in een ander paneel beland.
Opeens komt daar een beeld naar voren,
waarin een eerdere hoogbejaarde eeuw zich eens zo zorgeloos en jeugdig wisselen liet.
De huisjes aan de waterkant liggen daar nog steeds
als herboren in het filterend kalme zonnelicht
en schijnen mij knipogend toe dat voor geen tijd ooit is gezwicht.
Jacq Bosveld
----------------------------------------------
7.
Sterfbed
Hij wil haar vragen, woordeloos
waar hij moederziel alleen zal staan
als de handen weg zijn van haar bed,
de gordijnen weer geopend.
Zij weet het niet. Hij kijkt terug.
Het water stroomt naar zee. De bruggen troosten
de achtergebleven stad. De oorlog
dreef stroomafwaarts.
Een soldaat slaapt op de oever, zijn gezicht
bedekt met sneeuw. Hij voelt het niet.
De zomer kwam, ze dansten.
Haar hand ligt op zijn hartslag, maar zijn blik
blijft naar de verte.
Als ze er naar vraagt
vertelt hij niets.
Nu schenkt de man
met oude hand haar koffie.
De vrouw voelt hoe haar naam vervliegt.
Haar gedachten, hun gedachten
drijven langzaam uit elkaar.
De dochter die het huis verliet
schrijft stille woorden uit
een stad stroomafwaarts, nu vredig.
De man ziet waar zij gaat, de vrouw ziet
waar hij blijft.
Hij zou haar willen vragen
nog eens met hem te dansen.
Hij vraagt het niet.
Tis Marang
----------------------------------------------
8.
Er zijn uren
dat ik mijn lichaam
nauwelijks bewoon
het is stil sinds jij
er niet meer bent
buiten brandt verdriet
gaten in mijn huid
ik denk aan je
en verschuif de dag
naar later
F. de Haas
9.
Grote lijnen
We lijken in niets meer op de ruiten die ons exposeren, liggen dwars
voor het raam met een ceintuur om onze polsen en met
een meetlint neem ik de maat van je navel.
Bijna niemand heeft weet van mijn hamer, bijna niemand
weet hoe ik als honing aarzel. Je oefent een lastig portret.
Ik leg je vast en wacht automatisch.
Het lawaai in de straten wordt door onze muren
gesteund, wij zijn leeg als het plein en laten
over ons lopen. Ik berg je op in de lakens,
voor later en ga in grote lijnen
naast je liggen. Strijk er met mijn
voorhoofd plooien uit.
Vicky Francken
----------------------------------------------
10.
Verjaardag
Bloemen, niet rooskleurig,
staan te stralen in de vaas.
Kokette en mooie charmes
verkeren tussen gever en ontvanger.
Bezoek is gezellig uit verwachte lijvigheid
en de vruchtentaart iezegrimmig.
Vandaag valuteert kosteloze moeite
haar vriendschapsring in opgetogen rede.
Lang leve de eendagskoning!
Ieder stapje moet uitbundig gevierd,
om dit immers heuglijk feit.
De wedloop met de tijd
in de zoveelste trofee.
Laat bruisen die champagne!!
Daagse crisis en regressiedrang holle
met zevenmijlsongeduld
de berg op en af
uitzichtloos tot aan de top. Voor beide.
Macht verjaart in spanne
naast materiële houdbaarheid.
Zo fonkelt mantiek
om streven
in een mooie slobbertrui.
Cornellli Cosso
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.
















