UTRECHT/VEENENDAAL - "Het viel me op dat er zoveel haat was tegen het slachtoffer." Dat zou de 20-jarige Roemeen hebben gezegd over de overval waarbij de 67-jarige Veenendaler Willem van Ravenswaaij het leven liet. Donderdag stonden hij en drie landgenoten voor de Utrechtse rechtbank op verdenking van moord.
De 20-jarige bekende dat hij samen met de andere drie verdachten, die tussen de 27 en 31 jaar oud zijn, op 30 maart 2008 naar Veenendaal ging om Van Ravenswaaij te beroven. De Veenendaler zou een kennis zijn van een 27-jarige landgenoot. De twee zouden elkaar via het werk van de 27-jarige als prostitué in Amsterdam hebben leren kennen.
De twee ontkenden dat zij grof geweld tegen Van Ravenswaaij hadden gebruikt. Ook zouden zij niet betrokken zijn bij het knevelen van de man, of het snoeren van zijn mond. Zij verklaarden ieder voor zich dat de anderen dat moesten hebben gedaan.
Wel erkenden beiden dat zij op een gegeven moment door hadden dat het slecht ging met de man. Volgens de 27-jarige had hij er daarop expres voor gezorgd dat het alarm af ging. Toen gingen de overvallers ervandoor. "Ik dacht dat er wel iemand zou komen om hem te helpen", aldus de 27-jarige donderdag. Maar het alarm was de hele nacht vergeefs afgegaan.
Van Ravenswaaij werd pas de volgende ochtend gevonden door de medewerkster van de thuiszorg die voor zijn hoogbejaarde moeder kwam zorgen. Volgens een deskundige was de Veenendaler overleden door verstikking.
De twee medeverdachten van de 20-jarige en 27-jarige beriepen zich donderdag op hun zwijgrecht. De bespreking van de feiten nam de hele dag in beslag. Maandag gaat de zaak verder. Dan maakt de officier van justitie waarschijnlijk zijn strafeis bekend.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.
















