Thijs Goverde is kinderboekenschrijver. Hij debuteerde in 1998 met De Purperen Koningsmantel. Dit jaar verscheen zijn tiende boek, De hand van de meesterdief. Ter gelegenheid van de Kinderboekenweek houdt hij deze week de daglog bij.
Vrijdag 3 november
Enkhuizen is ver weg. Maar de treinreis is mooi. Tenminste, het laatste stuk. As je Zaandam voorbij bent, trekt het landschap open en zie je eeuwenoude weilanden en slootjes; Hollandse Historie op z'n levendst. Gevormd als ik ben door mijn Nijmeegse jeugd (Wandelen in het Filosofendal! De Duivelsberg!) is 'landschap' voor mij min of meer synoniem met 'heuvels en kastanjebomen', maar de aanblik uit de stoptrein naar Enkuizen voelt inmiddels ook een beetje als thuiskomen.
Want het is een vast ritueel geworden: elk jaar, op de eerste vrijdag de kinderboekenweek, rijd ik hier. Op weg naar het Westfries Kindeboekenbal.
Dat wordt gehouden in het vreselijk leuke Zuiderzee-museum. Net zoiets als het Arnhemse Openluchtmuseum, maar dan met alleen maar huisjes van de oevers van het IJsselmeer.
In vijf of zes van die huisjes worden vandaag schrijvers geposteerd, en die krijgen elk twee klassen op bezoek.
Waarom kom ik hier zo graag? Omdat het museum zo mooi is? Omdat de organisatie zo aardig is? Omdat er altijd collegaœ zijn, om gezellig mee te kletsen? Omdat het altijd mooi weer is? Of puur omdat ik een gewoontebeest ben? Ik ben hier al een keer of zes, zeven geweest tenslotte.
Ze vragen me telkens weer terug. Kennelijk doe ik het goed. In die zeven jaar zijn er veel collega's geweest die in Enkhuizen werden uitgenodigd. Sommigen maar één keer, de meesten vaker.
Maar zo vaak als ik – nee, niemand zo vaak als ik. Kennelijk ben ik veruit de leukste. Een vleiende gedachte.
Waarschijnlijk kom ik hier dáárom zo graag: omdat mijn kleine, zielige egootje hier gestreeld wordt. Bah! Wat een sneu, benepen mannetje ben ik eigenlijk. Waarschijnlijk is dát de reden dat het landschap hier mij zo bekoort: door de weidsheid van de Noordhollandse vergezichten vergeet ik even mijn eigen kleingeestigheid.
Donderdag 2 oktober
Een rustdag. De hele dag thuis om orde te scheppen, want hoe minder je in je werkkamer werkt, hoe groter de rotzooi op de vloer wordt. Snel binnenrennen – tas leegkiepen – spullen voor morgen erin – gauw weer naar buiten en de deur achter je dicht – als je dat twee weken volhoudt, is de chaos niet meer te overzien.
En een prijs voor de netste werkruimte ging ik toch al niet krijgen.
Natuurlijk moet er ook nog voor de kinderen gezorgd worden. Sanderijn (6 maand) is op donderdag altijd thuis. Arthur (7 jaar) is ziek en dus óók thuis. En de fotograaf van de Gelderlander komt langs. En ik moet al mijn afspraken voor de volgende week nog nalopen – weet ik al hoe laat ik waar moet zijn? Hoe laat moet ik dan vertrekken? Wie moet ik nog bellen?
En er zijn lopende zaken, zoals een e-mail conversatie met een Engelse uitgeverij over een eventuele vertaling. Ik heb de uitgever jaren geleden ontmoet, we mochten elkaar wel maar het liep op niks uit. Nu mail ik af en toe met zijn secretaresse. Zij vindt mijn e-mailtjes grappig. En zie: plotseling lijkt er beweging in de zaak te komen. Een leerzame ervaring.
En mijn ouders komen op bezoek, want die krijgen natuurlijk een exemplaar van mijn nieuwe boek. Bovendien hebben ze hun kleinkinderen al een tijdje niet gezien.
En Arthur knapt in de loop van de ochtend zienderogen op. Even lijkt het erop dat hij 's middags naar school zal kunnen – maar nee, rond het middaguur heeft hij een plotselinge terugval. Buikpijn, misselijk, moe... Gelukkig is deze terugval van zeer tijdelijke aard.
Affijn, zo'n soort rustdag dus.
Godzijdank is de moeder van mijn lief een paar dagen hier, om een paar dagen lang het huishouden voor instorten te behoeden. Het huishouden onthoudt zich dan ook braaf van instorting.
En ik rust nog een beetje uit ook.
Woensdag 1 oktober
Ik zit te suffen in de trein. Het kinderboekenbal was leuk – voor het eerst was het podiumprogramma niet genant of saai, vooral dankzij de presentatie van Margreet Dolman (Verward kind tegen vader: 'De stem van die mevrouw leek ineens op die van Grover' De vader: 'Die mevrouw is ook Grover.' Kind nog verwarder).
Gezellig bijgekletst met de collega's (die je niet zo vaak tegenkomt, immers: je zit allemaal op je eigen zolderkamertje te schrijven) en met de mensen van de uitgeverij en de meiden van de Stichting Schrijver School en Samenleving. Die stichting, SSS, regelt alle voordrachten van schrijvers. Tientallen schrijvers danken een groot deel van hun inkomen aan SSS. Waaronder ik.
Gezelligheid is leuk, natuurlijk, maar het gevolg is dat ik pas om 4 uur in mijn bed lig, want het bal is in Amsterdam, mijn bed staat in Nijmegen en daartussenin liggen de Nederlandse Spoorwegen. De NS zijn hoofdsponsor van het bal: goed werk! Voor mijn thuisreis spannen zij zich helaas aanmerkelijk minder in.
4 uur dus. En om 5 uur werd de zes maanden oude Sanderijn wakker. Mijn innig beminde Hanneke is zo goed de verzorging van de baby vanmorgen op zich te nemen, maar ik haal ternauwernood de anderhalf uur slaap.
En dat terwijl ik vandaag mijn nieuwe boek presenteer!
Precies midden in het land, in Amersfoort, laten we tientallen ballonnen op. Daar hangen kaartjes aan. Wie zo'n kaartje vindt, kan een gratis exemplaar van De Hand van de Meesterdief ophalen in de dichtstbijzijnde boekhandel.
Helaas regent het een beetje en de ballonnen willen niet erg stijgen. De schoolkinderen, die hielpen met oplaten, rennen gillend achter de zwalkende ballonnen aan en proberen de kaartjes te pakken te krijgen.
Sommige kinderen zijn zo sportief de ballonnen uit de handen van hun vriendjes te redden en ze weer omhoog te tikken. Uiteindelijk verdwijnen ook de laatste ballonnetjes over het dak van de kerk.
Dinsdag 30 september
Vandaag: Geldermalsen. Drie lezingen, twee in de bibliotheek en één op een school. Geen signeer-sessie. Althans: er worden geen boeken verkocht waar ik in zou kunnen signeren. Maar ik krijg drie groepen van vijfenveertig kinderen voor mijn neus, en er is er in zo'n groep altijd wel ééntje die om een handtekening vraagt. En Het Kind is een Kuddedier. Als er één wil, willen ze allemaal.
Gelukkig heeft uitgeverij Holland me een gigantische doos met ansichtkaarten gestuurd. Voorop de kaarten staat de omslag-illustratie van mijn nieuwe boek. Achterop is ruimte zat voor een handtekening. Kinderen blij en ik ook blij, want ze koesteren mijn reclamedingetje alsof het een trouwring is.
Een tijd lang heb ik gedacht dat de kinderen, die mij om een handtekening vroegen, mij een geweldige schrijver vonden. Of op z'n minst een bijzonder mens.
Tot de dag dat ze ook hun juf om een handtekening vroegen. En de mevrouw van de bieb. En de andere mevrouw van de bieb. En een meneer die daar toevallig was.
Vandaag, in Geldermalsen, zijn de kinderen echter ideaal. Ze lachen heel hard om mijn grappen en ze willen allemaal een handtekening. Alleen van mij. In de laatste groep zit zelfs een club meisjes die er twee willen, nee drie, nee duizend... Ze maken mekaar helemaal gek en blijven buiten de school in de regen staan wachten tot ik naar buiten kom. Zwaaien, gillen... ik voel me net een popster.
Bedankt, meisjes!
En vanavond wordt ook mooi: het kinderboekenbal. Een prachtig feest, met de schrijvers als sterren.
Is niet helemaal waar. De schrijvers die prijzen krijgen, dat zijn de sterren. De rest is decor.
Helaas: ik ben decor. Maar dat geeft niet, want je kunt altijd hopen: de volgende keer is de prijs voor mij. Dan ben ik eindelijk een échte ster.
Maandag 29 september
Kinderen lezen veel te weinig. Dat ik dat zeg is logisch; ik ben een kinderboekenschrijver. Een ijsverkoper zou waarschijnlijk zeggen dat ze veel te weinig ijsjes eten. Maar van lezen word je niet dik. Wel slim. Daarom wordt het lezen door alles en iedereen aangemoedigd en strijdt de ijsverkoper een eenzame strijd.
Tijdens de kinderboekenweek is die leespromotie op zijn hoogtepunt. Dan besteden leraren, boekverkopers, bibliothecarissen, ouders (en vele anderen) er extra veel tijd aan. En aandacht. En manuren. En geld.
Aha, geld! (riep den artist.) Mag ik daar wat van hebben?
Ja hoor.
Dat mag.
Ik mag elke dag lezingen geven. Op scholen, in bibliotheken, theaters, boekwinkels...
Het leukste werk dat er bestaat. Elke dag blije kinderen voor je neus. Want zolang jij er bent hebben ze geen les. En het wordt nog mooier, want...
als je kinderen blij maakt, gaan ze je boeken lezen. Kassa! Hoewel, eerlijk gezegd: van boekverkoop kan haast geen enkele schrijver leven. Ik niet in elk geval. Maar...
kinderen aan het lezen krijgen, daar staat subsidie op. Weer kassa! Samen genoeg om van rond te komen. En bovendien:
je wordt door iedereen behandeld als een vorst.
Vandaag bijvoorbeeld. Ik heb een lezing van een uur gegeven, nu signeer ik een uur en straks weer twee lezingen en weer signeren. Nu komt Philip naar me toe. Hij is de baas van de Bruna uit Rosmalen, Hij trakteert alle scholen van Rosmalen op schrijversbezoeken; geen enkele boekhandel kan hem op dit punt evenaren. 'Heb je brood meegenomen?' vraagt hij mij.
Nee, schud ik.
Een kwartier later staan er twee heerlijke verse broodjes voor mijn neus.
Ik heb er niet eens om hoeven vragen.
Soms vraag ik mij wanhopig af waar ik het aan verdien.
Meestal geniet ik er maar gewoon van.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.

















