Logboek: Liftend over de wilde baren

  donderdag 27 augustus 2009 | 14:10 | Laatst bijgewerkt op: woensdag 04 augustus 2010 | 13:39

Tekstgrootte tekst verkleinentekst vergroten
Manaus, midden in de Amazone-jungle, heeft een internationale haven.

Manaus, midden in de Amazone-jungle, heeft een internationale haven.

Peruaans landschap. Foto's: David Bijl

Peruaans landschap. Foto's: David Bijl

Hugo Chavez spreekt de Assembly of the North toe. Foto: David Bijl

Hugo Chavez spreekt de Assembly of the North toe. Foto: David Bijl

Het oprotbevel Foto's: David Bijl

Het oprotbevel Foto's: David Bijl

Onze escorte met de immigratiepolitie

Onze escorte met de immigratiepolitie

De militaire post

De militaire post

Ants from hell. Foto's: David Bijl

Ants from hell. Foto's: David Bijl

Foto's: David Bijl

Foto's: David Bijl

Stoere stuurman. Foto: David Bijl

Stoere stuurman. Foto: David Bijl

Personeel aangeboden... Foto: David Bijl

Personeel aangeboden... Foto: David Bijl

Creatief sturen met het MacGyver-stuu. Foto: David Bijl

Creatief sturen met het MacGyver-stuu. Foto: David Bijl

Foto's: David Bijl

Foto's: David Bijl

Foto's: David Bijl

Foto's: David Bijl

Foto's: David Bijl

Foto's: David Bijl

Zo zien de zeilen van de Sail-training Vessel Artemis er vanuit de top uit. Foto's: David Bijl

Zo zien de zeilen van de Sail-training Vessel Artemis er vanuit de top uit. Foto's: David Bijl

Passagiers van de Artemis turen naar walvissen. Foto's: David Bijl

Passagiers van de Artemis turen naar walvissen. Foto's: David Bijl

Foto's: David Bijl

Foto's: David Bijl

Foto's: David Bijl

Foto's: David Bijl

Foto's: David Bijl

Foto's: David Bijl

Foto's: David Bijl

Foto's: David Bijl

Foto's: David Bijl

Foto's: David Bijl

Foto's: David Bijl

Foto's: David Bijl

Lift in een limousine. Foto's: David Bijl

Lift in een limousine. Foto's: David Bijl

Riant onderkomen: een tuinhokje. Foto's: David Bijl

Riant onderkomen: een tuinhokje. Foto's: David Bijl

Het huis van de hippies in Wales.

Het huis van de hippies in Wales.

Slaapplaats in de kelder van het hippiehuis.

Slaapplaats in de kelder van het hippiehuis.

1/36
start playing the slideshow

NIJMEGEN - Liftend de wereld rond, dat is eigenlijk al helemaal niet bijzonder meer. Als 13-jarige solo de aardbol rondzeilen, is dat weer wel. Liftend, met de duim omhoog, over de oceanen trekken, bij wijze van alternatieve wereldreis, is ook nog uniek. Tamelijk onvoorbereid zijn David Bijl en Gudo Bik maandag op pad gegaan voor zo’n avontuur.

 

De twee Nijmegenaren hadden niet meer dan het wilde plan om naar een zeehaven te gaan en daar om een lift te vragen naar een haven elders in de wereld. Of zulks mogelijk zou zijn, daar hadden ze eigenlijk geen idee van. Te elfder ure werd het plan om vanuit IJmuiden te vertrekken (‘we gaan bij de sluizen staan en dan zien we wel’) afgeblazen. Delfzijl werd als vertrekpunt gekozen. Het dappere duo monsterde aan op de Artemis.

 

Vervloekt (slot)

 

Toen ik naar Peru wilde reizen om een boot te zoeken was de weg afgesloten, toen ik eindelijk in de haven kwam, staakten de havenarbeiders, in de havens van Lima, Guayaquil en Manaus werd ik weggestuurd en toen ik in Georgetown eindelijk wel binnen kwam zei de kapitein dat het bedrijfsbeleid hem tegen hield. Er was dus duidelijk een vloek aan de gang die mij in Zuid-Amerika hield. Ik dacht die simpel te kunnen omzeilen door een vliegticket te kopen, maar uiteraard geeft de vloek niet zo makkelijk op.

 

Mijn aangeboren planningsvermogen bracht me een dag voor de beoogde vlucht op een reisbureau in Georgetown. Er waren nog kaartjes beschikbaar, zelfs tegen een goede prijs, daar ging het dus ook niet mis. Er stond zelfs genoeg geld op mijn rekening om te kunnen betalen en toen de reisbureaumevrouw niet met mijn Maestropas overweg kon wilde ze ook wel even wachten tot ik bij de bank was geweest.

Daar hield het goede nieuws echter op. De bankmedewerker vond dat ik maar een rare pas had en verwees mij naar de automaat, met wiens maximum opnamebedrag ik een week bezig zou zijn mijn ticket bij elkaar te krijgen. Zes dagen te lang dus. Gelukkig was de familie bereid te helpen en kon mijn oom met zijn creditcard een ticket boeken. Toen ik echter na een paar uur terugkwam bij het reisbureau was er een stroomstoring. Geen stroomstoring in de hele stad, zelfs niet in de hele wijk. Nee, alleen het reisbureau waarvoor ik een door mijn oom ondertekend gebruik-mijn-creditcard-maar papiertje had zat zonder stroom.

 

De volgende ochtend lukte het gelukkig wel en zo kon ik met slechts een dag vertraging via New York terug vliegen. Dit bood weer een mooie mogelijkheid voor de bevestiging van de gouden regel die ik de laatste weken ontdekt had: op iedere tegenslag volgt iets moois. Niet alleen kwam ik onvervloekt in New York aan, ook liep ik in deze stad van bijna 10 miljoen inwoners een bekende tegen het lijf. Are you from Holland?

 

Dat bleek inderdaad het geval. En na elkaar een paar minuten vragend aangestaard te hebben bleken we elkaar daar ook van te kennen. Het leverde me een slaapplaats en een rondleiding door de stad op. Het betekende gelijk het einde van mijn avonturen, want de volgende dag ging ik door naar Nederland. Hier komt dus een einde aan een jaar lang ongelofelijk veel beleven, zien en vooral leren en begint gelijk de volgende uitdaging: uitvinden of ik hier iets mee kan in het georganiseerde Nederland.

 

 

Caribische hoop (39)

 

Hoewel Manaus midden in de Amazone-jungle ligt, heeft het een internationale haven die mij, via de Amazone-rivier, een ritje naar Europa op kan leveren. Erg bekend bij de lokale bevolking is deze haven echter niet, zo blijkt als ik op het busstation om de juiste bus vraag. Hoe ik ook volhoud dat ik de grote international vrachthaven moet hebben, er wordt steevast naar de haven twee straten verderop gewezen waarvan boten naar ieder denkbare plaats gaan, mits gelegen aan de rivier natuurlijk.

Dan maar zelf op zoek. Het duurt niet lang voordat ik de eerste terminal tegenkom, waar ik zonder problemen door de poort kom. Helaas blijkt een stukje verder nog een tweede poort te zijn waar ik dan toch gestopt wordt. Een jongeman en –dame leiden mij naar een kantoor waar ik een paar uur moet wachten. Ze zijn vastbesloten mij de haven binnen te krijgen, maar moeten helaas het oordeel van de afwezige baas afwachten. In de tussentijd krijg ik te eten, te drinken en moet ik mijn reisverhaal uit de doeken doen. Als de baas terug is wordt ik dan toch weggestuurd, maar de warme ontvangst geeft goede hoop voor de volgende terminals. Valse hoop ook echter, want voorbij poort twee kom ik nergens.

Op weg naar Guyana dus. Met die intentie sta ik een paar dagen later langs de kant van de weg net buiten Boa Vista. Zoals zo vaak stopt een man om mij te vertellen hoe gevaarlijk liften is. Deze besluit echter een stapje verder te gaan: om er zeker van te zijn dat ik mijn leven beter geeft hij me zo’n 120 euro om een bus te pakken. In Georgetown aangekomen blijkt mijn verwachting over de Caribische cultuur te kloppen, gelijk bij de eerste haven wordt ik uitgenodigd om de volgende ochtend met een Engelse kapitein te komen praten. En daar loopt mijn plan dus weer vast, want de Engelse kapitein heeft natuurlijk zijn Europese bedrijfsrichtlijnen die geen ruimte laten voor lifters. Hoe dan ook, met de kapitein praten is het dichtst bij een vrachtschiplift dat ik tot nu toe geweest ben, dus wie weet gaat het hier dan toch lukken.

Hoewel Manaus midden in de Amazone-jungle ligt heeft het een internationale haven die mij, via de Amazone-rivier, een ritje naar Europa op kan leveren. Erg bekend bij de lokale bevolking is deze haven echter niet, zo blijkt als ik op het busstation om de juiste bus vraag. Hoe ik ook volhoud dat ik de grote international vrachthaven moet hebben, er wordt steevast naar de haven twee straten verderop gewezen waarvan boten naar ieder denkbare plaats gaan, mits gelegen aan de rivier natuurlijk.

Dan maar zelf op zoek. Het duurt niet lang voordat ik de eerste terminal tegenkom, waar ik zonder problemen door de poort kom. Helaas blijkt een stukje verder nog een tweede poort te zijn waar ik dan toch gestopt wordt. Een jongeman en –dame leiden mij naar een kantoor waar ik een paar uur moet wachten. Ze zijn vastbesloten mij de haven binnen te krijgen, maar moeten helaas het oordeel van de afwezige baas afwachten. In de tussentijd krijg ik te eten, te drinken en moet ik mijn reisverhaal uit de doeken doen. Als de baas terug is wordt ik dan toch weggestuurd, maar de warme ontvangst geeft goede hoop voor de volgende terminals. Valse hoop ook echter, want voorbij poort twee kom ik nergens.

Op weg naar Guyana dus. Met die intentie sta ik een paar dagen later langs de kant van de weg net buiten Boa Vista. Zoals zo vaak stopt een man om mij te vertellen hoe gevaarlijk liften is. Deze besluit echter een stapje verder te gaan: om er zeker van te zijn dat ik mijn leven beter geeft hij me zo’n 120 euro om een bus te pakken. In Georgetown aangekomen blijkt mijn verwachting over de Caribische cultuur te kloppen, gelijk bij de eerste haven wordt ik uitgenodigd om de volgende ochtend met een Engelse kapitein te komen praten. En daar loopt mijn plan dus weer vast, want de Engelse kapitein heeft natuurlijk zijn Europese bedrijfsrichtlijnen die geen ruimte laten voor lifters. Hoe dan ook, met de kapitein praten is het dichtst bij een vrachtschiplift dat ik tot nu toe geweest ben, dus wie weet gaat het hier dan toch lukken.

 

Lieve Brazilianen zoeken (38)

 

Je kent dat soort dagen vast wel; dat iedereen je afsnauwt als je in je beste Spaartugees een vraag stelt, dat je platzak bent en je bankpas overal geweigerd wordt en dat je dan dus bij gebrek aan busgeld gaat liften en niemand je meeneemt. Zo´n dag had ik dus. En natuurlijk was er nog altijd dat stemmetje achter in mijn hoofd, dat me heel zachtjes toevertrouwde dat er ook heus wel aardige mensen in dit land zijn. Maar na twee uur in de brandende Braziliaanse zon te hebben gestaan geloofde ik die allang niet meer.

 

Het feit dat ik de vorige dag ook al drie uur op dezelfde plek had staan wachten zal ook niet echt geholpen hebben om de wil-je-niet-dolgraag-deze-vrolijke-jongeman-in-je-auto-hebben blik op mijn gezicht te houden. Ondanks dat kreeg ik uiteindelijk toch mijn langverwachte lift aangeboden. Weliswaar niet naar mijn bestemming Porto Velho, maar in ieder geval naar het dichtstbijzijnde motel.

Motel? Ja, of ik niet even met meneer een kamer wilde betrekken, hoefde maar een half uurtje te duren. Zo graag wilde ik nu ook weer niet uit de zon verlost worden, dus vijf minuten na opgepikt te zijn stond ik weer aan de kant van de weg. Dit keer brachten een paar uur wachten mij een dronken Braziliaan. Gelukkig geen bestuurder, maar een mede-lifter die me maar op het hart bleef drukken dat we God moesten bedanken. Of hij zo dankbaar was voor al die voorbijrazende auto's of voor zijn schier eindeloze biervoorraad werd me niet helemaal duidelijk. Ik was in ieder geval dankbaar niet meer alleen te zijn en besloot bij hem in de buurt te blijven. Wat gezien zijn vastberadenheid om met me mee te gaan naar Nederland niet heel moeilijk was.

 

Dat de markt voor lifters hier beperkt is bleek maar weer toen we uiteindelijk opgepikt werden door dezelfde man bij wie ik in maart ook al in de auto had gezeten. Hij zette ons af in een klein dorpje waar de bevolking zich van hun goede kant liet zien en ons eten en een slaapplaats aanbood. De volgende ochtend golden echter weer de harde regels van de weg en toen ik na een halve dag in het volgende dorp aankwam, waar mijn bankpas plotseling weer werkte, besloot ik dan ook per bus verder te gaan. Maar, zo kreeg ik te horen, dan moest ik eerst terug naar Rio Branco. "Rio Branco? Dat is anderhalve dag reizen!" dacht ik. Per bus bleek twee uur voldoende te zijn.

 

In Porto Velho aangekomen werd mijn vertrouwen in de Brazilianen weer hersteld door de geweldige opvang door mijn gastfamilies daar. Dit herstel Op de boottocht naar Manaus zette dit herstel zich voort door mijn alleraardigste mede-reizigers. Die zich zelfs voor de gelegenheid massaal achter Oranje schaardden. Na afloop van de WK-finale heerste er dan ook groot verdriet bij iedereen, behalve die ene oude man die voor Spanje was. En behalve bij mij, ik was helemaal gelukkig dat er toch nog leuke Brazilianen zijn. Alleen jammer dat zo weinig van hen en auto hebben. 

 

 

Wat goed te maken (37)

 

Als je een paar weken geleden in Peru er voor uitkwam Nederlander te zijn, had je het gemaakt. Je kwam dan namelijk uit het land waar alles mogelijk is, het land van de vrijheid en bovenal het land van Cruijff, Gullit en de ´naranja mechanica´. Tegenwoordig zal een enkeling je nog trots vertellen in een oer-Hollandse Volvo te rijden, de rest trekt een argwanende blik en mompelt iets over Bander Sloot.

Het mag dus duidelijk zijn dat je als Nederlandse jongeman in Lima iets goed te maken hebt. Ik besloot daarom ene lokale schoonheid een stukje op mijn avonturen mee te nemen. Als ze dan weer levend terug zou komen levert ons dat vast weer wat puntjes op.

Het kostte ons vijf dagen om in het ziekenhuis te belanden. Bronchitis, zware keelontsteking en 39,5 graad koorts. Het positieve was dat ik het slachtoffer was en het dus geen Hollands moordcomplot betrof. Ook positief is dat de service in deze Zwitsers-Peruaanse kliniek een stuk beter op peil lijkt dan in de Castro-Castro gevangenis het geval schijnt te zijn. Na vier dagen aan een anti-biotica infuus mag ik dan ook weer gezond en wel de straat op. Eerst naar het busstation om er voor te zorgen dat Sofia weer in Lima terecht komt, waar ze iedereen kan vertellen naar wat voor een veilige plekken een reis met een Nederlander je brengt. Daarna zelf door Brazilie naar de Guyana en Suriname.

 

Bij de Braziliaanse grens aangekomen realiseer ik me, met de kwartfinale vers in het geheugen, dat er hier heel wat meer nodig is om onze reputatie weer op te poetsen. Als een eenzame Braziliaan met twee fietsen me om hulp vraagt, aarzel ik dan ook geen moment. Ik en mijn veel te grote rugzak bestijgen het soort fiets wat je in Nijmegen naar het station durft mee te nemen en een zware tocht naar Brasileia begint. Diep in de avond begint de laatste afdaling naar het dorp waar het nog bijna fout gaat. Veel te laat doemt in het schijnsel van mijn voorlamp een gigantische krater op waar mijn barrel doorheen stuitert.

 

Ik knijp vol enthousiasme in mijn remmen, zonder effect. Mijn achterwiel met daarop de bagage zwenkt op onverminderde snelheid door en terwijl ik zo het dorp binnen spurt bedenkt ik me dat het toch jammer is dat ik niet gelovig ben. Met mijn handen en ogen wanhopig naar de Heer geheven had dit vast een mooi Tour de France plaatje opgeleverd. Aan de andere kant, het feit dat ik mijn handen aan het stuur hield heeft waarschijnlijk mijn vege lijf gered zodat ik bezweet, uitgeput en met lood in het achterwerk de dankbaarheid van mijn Braziliaanse vriend in ontvangst kan nemen. De kwartfinale zit echter dieper dan ik dacht, want die dankbaarheid beperkt zich tot de beschuldiging dat ik zijn fiets gesloopt heb en het verzoek voor zijn eten en hotelkamer te betalen. Ben benieuwd wat me in Suriname te wachten staat. 

  

Ordnung muss sein (36)

 

Bij de geschiedenislessen op de basis- en middelbare school heb ik altijd geleerd dat grote delen van Zuid-Amerika ooit geregeerd werden door de Spanjaarden. Gezien het feit dat iedereen die delen Spaans spreekt, het weidverbreide katholicisme en de nog veel weidverbreidere dat-kan-morgen-ook-welcultuur, zal hier ook zeker een kern van waarheid in zitten. Wat echter steeds verzwegen wordt is de koloniale vinger die de Duitsers hier in de pap hebben gehad.

Toen mijn taalgidsje mij vertelde dat het Chileense woord voor appeltaart 'kuchen de manzana' is, waren het nog slechts vermoedens, maar na mijn pogingen in Peru en Ecuador aan een vrachtschip te komen was alle twijfel verdwenen: hier zijn onze oosterburen aan het werk geweest. Waar ze in Mediterrane vrachthavens nog wel eens soepel met de toegangsregels willen zijn of zelfs de poort gewoon wagenwijd open hebben staan, is het hier meer een kwestie van 'ordnung muss sein!' De regel is dat niemand zonder mooi glimmend toegangspasje de poort doorkomt, dus komt ook niemand zonder mooi glimmend toegangspasje de poort door. Zou het dan toch zo onmogelijk zijn als iedereen me steeds maar probeert duidelijk te maken?

 

Het lijkt er wel op. En met de staart tussen de benen druip ik weer af naar Lima. Daar blijkt dat het misschien niet de havenautoriteiten, maar mijn aanpak is die iets te formeel is geweest. Op een feestje ontmoet ik Pablo, politicus en naar eigen zeggen dé grote man van Callao. Callao is het stadsdeel waar de haven te vinden is, maar ook de gevaarlijkste buurt van Lima, waar je op iedere tweede straathoek wordt aangesproken met de boodschap toch zeker niet die kant op te lopen als je je leven lief bent. Misschien ook de meest zorgzame buurt van Lima. Van deze buurt vertelt Pablo mij dat ik er alleen maar zijn naam hoef te noemen om door welke overvaller dan ook met rust gelaten te worden. Hij vertelt ook dat hij binnen twee weken een boot voor me heeft. Naar Europa, want met mijn planning om in augustus weer terug te zijn is Azië aandoen een beetje te ambitieus.

 

Mocht Pablo´s belofte op niets uitlopen dan is Suriname het volgende doel. Kijkend naar de Karibische moraal die ze daar schijnen te hebben zijn daar vast nog nooit Duitsers geweest.

 

 

Geluk (35)

 

Iets wat je niet hebt kun je ook niet kwijtraken. Ik kan dan ook gerust zeggen dat mijn geluk bij de bootzoektocht in Lima niet op kon. Hoog tijd dus om een volgende zoekplaats op te zoeken. Google vertelde me dat dit Guayaquil moest worden, de grootste havenstad van Ecuador met flink wat verkeer naar de overkant van de oceaan. Hier hoop ik een boot naar Azië of op zijn minst naar Panama te vinden, want aangezien ik nog altijd Colombia niet in mag is dit de enige manier om dit scheepvaartwalhalla te bereiken.

Maar eerst dus Guayaquil eens bereiken. Ook hierbij kon mijn geluk niet op, dit keer in positieve zin. Op de eerste dag liften wordt ik meteen opgepikt door een vrachtwagenchauffeur die me niet alleen naar het een dag verderop gelegen Piura brengt, maar me ook het recept leert een echte Peruaanse Cebiche. Tenminste, dat denk ik. De beste man spreekt het meest onverstaanbare Spaans dat mij ooit ter ore is gekomen (Portugees niet meegerekend). Gelukkig kan ik het "¿Si o no?" aan het einde van vrijwel elk verhaal wel goed verstaan. Dat ik geen flauw idee waar ik iedere keer mee instemt staat niet in de weg van het bereiken van de bestemming en na een nacht in de cabine en een foto van een trotse chauffeur met zijn truck gaat de reis verder.

 

Twee dagen later aangekomen in Guayaquil stuit ik ook daar op dichte deuren. Toestemming om de haven binnen te gaan krijg ik niet, maar de medewerker van de capitania die me te woord staat gaat wel zelf op zoek. Hij biedt aan om bij alles met drijfpotentieel dat de haven binnenkomt na te vragen of ze nog een landrot kunnen gebruiken. Dus voor mij is het nu afwachten, en aangezien mijn geluk steeds niet op kan waag ik nog een extra verzoekje: misschien een boot met sateliet-tv voor de WK-wedstrijden?

 

  

Naar binnen knikken (34)

 

 

Twee weken geleden sprak ik de hoop nog uit dat de Boliviaanse stakingslust niet naar Peru zou overwaaien en ze de weg naar de kust dicht zouden gooien. Mijn angst bleek ongegrond en ik kon zonder problemen Peru´s hoofd- en grootste havenstad Lima bereiken. Daar aangekomen zou mijn zoektocht naar de volgende oceaanoversteek beginnen, dit keer dan eindelijk per vrachtschip. Maar wat denk je?

 

Havenstaking. Ze houden het gelukkig maar een paar dagen vol, maar ook na de staking kom ik zonder pasje niet langs de poort. Na een stuk of drie aanbiedingen voor een dure cruise op een vrachtschip te hebben afgeslagen wordt ik dan toch de weg gewezen naar de agentschappen die de schepen beheren.

 

Bij kantoor één vraag ik netjes of ik iemand kan spreken van de afdeling ´gratis meeliften´. De receptioniste blijkt echter goed getraind in het afweren van gelukszoekers en ik wordt kordaat de deur gewezen. Tijd voor plan B. In kantoor twee knik ik een zo geroutineerd mogelijk "buenas" naar de bewaker om vervolgens in een zucht door de trap op te lopen. Even denk ik succes te hebben, maar na een tree of vijf wordt ik toch teruggeroepen. Of ik even mijn pasje af kan geven.

Ik leg uit dat ik een zeeman ben die over een baan komt praten, een uitleg die me tot mijn grote verbazing een leenpasje en vrije doorgang oplevert. Boven aangekomen krijg ik echter te horen dat ik aan het verkeerde adres ben; ze kunnen me misschien wel gebruiken, maar om daar achter te komen moet ik toch echt bij de vestiging in Chili zijn.

"Maar ik ben gratis!" sputter ik tegen. Nou vooruit dan, in dat geval volstaat het kantoor aan de andere kant van Lima ook wel.

 

Ik bewaar het adres tot later en gebruik eerst dezelfde strategie om ook kantoor drie binnen te komen. Daar krijg ik zelfs een van de hoge piefen te spreken, wat mij aanmoedigt om te vertellen dat ik al een oceaan over ben. Dat hier maar weinig vrachtschip aan te pas kwam verzwijg ik voor het gemak. Het levert een mail op naar alle kapiteins met de vraag of ze nog een dekschrobber kwijt kunnen.

Al met al geen slechte oogst dus. Een paar dagen later heb ik echter van beide agentschappen een ´nee´ terug en zijn ook andere opties op niets uitgelopen. Gelukkig maar dat Lima best een leuke stad lijkt om te wonen.

  

We gaan! (33)

 

De weg van het Peruaanse binnenland naar de oceaan leidt langs Cusco, de culturele hoofdstad van Zuid-Amerika. Behalve veel bezienswaardigheden in de stad zelf biedt het ook een populaire uitvalsbasis voor een bezoek aan het Inca-wereldwonder Machupicchu. Er zijn verschillende manieren waarop je dit kunt doen: een wandeltocht van een touroperator, een veel te dure treinreis of een bus die om moet rijden via Paraguay.

 

Ik besloot te gaan lopen. Veel zin had ik echter niet, om vijf dagen achter een gids aan te hobbelen die in elke groot uitgevallen steen een Inca-ruïne ziet waar een urenlang verhaal over ingenieuze bouwtechnieken en religieuze lama-offer bijhoort. Bovendien, vijf dagen, dat moet toch veel korter kunnen? Zo ging ik in mijn eentje van start aan de Salkantaya-tocht, waarvan mij beloofd was dat ik zou struikelen over de mede-toeristen. Het enige wat ik echter tegenkwam waren enkele groepjes Peruanen die hun kuddes ezels en/of paarden door de bergen voeren. Gelukkig onderschat ik het traject van de eerste dag, met al het klimwerk, wat, waardoor het beloofde struikelwerk alsnog komt. Nu was het echter over de stenen die ik na zonsondergang niet meer zag. Zo belandde ik na 14 uur wandelen tussen een stel rotsen die mijn slaapplaats voor de nacht zouden worden.

 

De volgende dag hoefde ik gelukkig wat minder lang van de adembenemende bergen te genieten. 10 kilometer voor het einde was ik inmiddels op een wat groter pad beland waar ik een lift aangeboden krijg van een vrachtwagen, op de heerlijk directe manier waarop dat soort dingen hier gaan.

In Nederland zou het waarschijnlijk zijn:

"Goedendag jongeman, waar gaat de reis heen?"
"Naar huis"

"Wat ene toeval! Daar ga ik ook heen. Kan ik je misschien een lift aanbieden?"
"Nou wat aardig van u, daar zeg ik geen nee tegen."

"Momentje hoor, ik zet even de auto wat beter aan de kant."

De Peruaanse methode is als volgt:
"Waar ga je heen?"
"Santa Theresa"

"We gaan!"

Zonder ooit helemaal gestopt te zijn versnelt de vrachtwagen alweer terwijl ik nog bezig ben in de laadbak te klimmen. En ik maar denken dat we in Europa zo van de efficiëntie waren.

 

De derde dag restte alleen nog het laatste stukje naar Machupicchu. Door de modderstromen van begin dit jaar was de brug op dit traject echter verdwenen, zo ging ik dan toch bijna echt gebrek aan een gids voelen. Gelukkig had ik inmiddels gezelschap van een local die me in de nog donkere ochtend naar een schommelig bakje dertig meter boven de rivier wijst. Even voel ik me heel speciaal om mezelf op deze onorthodoxe wijze de rivier over te trekken, maar als ik na het bezoek aan de indrukwekkende ruïnes op een iets christelijker tijdstip de terugweg neem, kan ik in de rij gaan staan met andere toeristen die in het bakje plaats willen nemen.

 

Bij terugkomst in Cusco kon ik gelijk door naar een Peruaans verjaardagsfeest. Wat niet veel anders is als een Nederlandse, met veel eten en drinken. Al gaan hier natuurlijk naar goed Zuid-Amerikaans gebruik op een gegeven moment de stoelen aan de kant en de tafel de kamer uit om de dansvloer vrij te maken. Een ander verschil is dat de ouders niet rondlopen om het drankgebruik binnen de perken te houden, maar juist om er voor te zorgen dat iedereen wel echt goed dronken wordt. Alleen de aanwezige peuters wordt na een half biertje de halt toegeroepen, het moet allemaal wel verantwoord blijven natuurlijk.

  

 

Op de vlucht (32)

 

"Als je te voet bent en het lief vraagt mag je best langs de blokkades." Zo was aan het begin van de Boliviaanse acties de situatie nog, een week later krijg ik te horen: "Ze hebben pistolen en zijn bereid die te gebruiken."

Tijd om maar weer eens op pad te gaan dus. Al is dat makkelijker gezegd dan gedaan als de belangrijkste toegangsweg naar Peru (mijn volgende doel) is afgesloten en bovendien de brandstof, die best van pas kan komen bij een reis van enkele honderden kilometers, zich aan de andere kant van deze afsluiting bevindt. Er zijn echter altijd wel een paar ingenieuze geesten die aan schaarse middelen weten te komen en profiterend van hen trok ik richting Brazilië.

Op dag 1 strandde ik 25 kilometer verderop waar ik te horen kreeg dat een van die ingenieuze geesten voor de busmaatschappij werkte en die avond naar het noorden zou rijden. Na een dag in het pittoreske Reyes vertoefd te hebben bleek dit echter meer hoop dan werkelijkheid te zijn: geen bus.

De volgende dag had ik 100 kilometer verderop meer geluk: er was een bus, er was zelfs nog een plek vrij en we zouden tot 80 kilometer van de grens komen. Daar aangekomen werd zelfs nog een succesvolle zoektocht naar meer benzine ondernomen en zo bereikten we, zonder blokkades, in de nacht het grensdorp.

De Brazilianen waren maar wat blij mij weer te mogen ontvangen. Gretig vroeg de douanier me hoe lang ik ze dit keer gezelschap zou houden en groot was dan ook de teleurstelling toen mijn antwoord was dat ik in drie á vier dagen toch weer weg hoopte te zijn.

"Rot dan ook maar op", leek de gedachte te zijn, waarmee mijn visum op drie dagen werd vastgesteld. Met de overvloedig aanwezige benzine was het gelukkig weer mogelijk om wat sneller te liften en zo kon ik mij de volgende dag al voor een veel warmer welkom bij de Peruaanse autoriteiten melden. Weliswaar kende het immigratieformuliertje nog wat lastige vragen zoals ´woonadres´ en ´hotel´, de douanier voelde zich echter nogal schudlig over het enkele uren laten wachten van de groep voor mij. Waardoor ze alle paspoorten ongezien van een stempel oorzag en mij liet wegkomen met een hoop lege vakjes, het merk van mijn schoenen op de plaats van het vervoersmiddel en geen visum voor drie, maar zestig dagen. Dat moet genoeg zijn om een boot naar een ander werelddeel te vinden. Mits ze de weg naar de kust niet blokkeren natuurlijk.

 

 

Boze Bolivianen (31)

 

Na de mislukte klimaattop van Cochabamba was het tijd zelf maar de handen uit de mouwen te gaan steken en te gaan herbebossen in de Boliviaanse amazone. Hier is ArBolivia bezig om kleinschalige boeren te ondersteunen bij het aanleggen van bomenplantages die hun bij de kap een mooi Max-Havelaar-verantwoord inkomen moeten opleveren. Voor het zo ver is kunnen de bomen wel eerst zo´n 20 jaar CO2 opvangen. Gesterkt door dit vooruitzicht stapte het hoofd van de afdeling Rurrenabaque na de top op het vliegtuig, ik ging als vanouds aan de kant van de weg staan.  

Toen ik zo'n twee dagen later op mijn bestemming aankwam, bleek waarom mijn reiswijze toch de minst verstandige was. Ik was nog zonder problemen voorbij Coroico (net boven La Paz) gekomen, maar enkele uren na mij werd de weg afgesloten. De Bolivianen zijn namelijk boos. Niet direct omdat hun president een stoffige communist is die als een braaf hondje achter Chávez aanhuppelt, maar vooral omdat ze meer geld willen.  

Op het moment ligt het halve land plat in een poging de overheid te verleiden tot een verhoging van 500% op het minimumloon en het naar huis sturen van één van de ministers. In Rurrenabaque blijft alles vrij rustig en lijkt niemand zich echt zorgen te maken. Het enige dat hier te merken is is dat het dorp verstoten blijft van de benzine, groenten en andere producten die vanuit het midden en zuiden van het land moeten komen, waardoor de geplande tripjes het veld in ook niet door konden gaan (voor de duidelijkheid: dat was vanwege de benzine, niet vanwege de groenten). Het werd daarom op kantoor blijven en helpen met het herschrijven van de websitetekst.  

Tussendoor was er genoeg tijd om het dorp een beetje te verkennen. Of dorp, zeg maar gerust toeristenoord. Het enige wat hier namelijk talrijker is dan ontmoet-indianen-en-krokodillen-in-de-amazone aanbieders zijn buitenlanders. Niet alleen zitten de hotels vol met toeristen, ook is ongeveer de helft van de langdurige inwoners afkomstig uit de VS, Europa of Israel en hier voor een stage, vrijwilligerswerk of een baan bij één van de vele ontwikkelingsorganisaties. En allemaal zijn ze even welwillend om je te vertellen hoe heerlijk rustig het hier drie jaar geleden nog was. Misschien is dat ook wel de reden dat niemand zich zorgen maakt om die blokkades; wellicht kunnen ze de toeristenstroom ook tegenhouden.

  

 

  

De dood en het socialisme (30)

  

 "Are we a group of action?!", "YEAH!!!" antwoordt de met Noord-Amerikanen gevulde zaal enthousiast. Ik heb er zo mijn twijfels bij. De ´Assembly of the North´ is al zo´n tien minuten aan het ruziën over wie het eerst het woord mag nemen. Het ergste is nog wel dat dit niet eens zo´n grote achteruitgang is ten op zichte van het uur daarvoor, toen, tussen het bedanken en applaudisseren door, een poging gedaan werd Moeder Aarde van de ondergang te redden door haar in te stralen met onze positieve trillingen.

En het is dus de bedoeling dat dit de internationale klimaatproblematiek gaat oplossen. De ´Assembly of the North´ is namelijk één van de groepen op de ´Internationale Klimaattop van het Volk over de Klimaatverandering en de Rechten van Moeder Aarde´, die deze week in Cochabamba gehouden is vanwege de mislukking van Kopenhagen. Gelukkig wordt in de Latijns-Amerikaans georganiseerde bijeenkomsten wel serieus gediscusieerd over oplossingen. Mijn hoop was dan ook dat de aanwezige regeringsleiders zich hierdoor zouden laten inspireren en met een indrukwekkend plan voor de toekomst zouden komen.

 

Nu is het natuurlijk ook moeilijk om aan deze verwachting te voldoen als je over dit onderwerp moet onderhandelen zonder de aanwezigheid van landen als de VS en China, maar dit gemis kan op geen enkele manier verantwoorden waar de socialistische Latijns-Amerikaanse regeringen mee aan kwamen zetten. Vol verwachting was ik op de internationale klimaatdag naar het stadion gegaan waar de uitkomsten gepresenteerd zouden worden. Na een lange ceremonie vol traditionele dans, muziek en veelvuldige herhaling van de boodschap dat we zo goed de aarde aan het redden zijn kwamen die uitkomsten dan eindelijk: er moet een internationaal verdrag voor de rechten van Moeder Aarde komen.

Ja, dat zal ze leren... Ik zie nu al voor me hoe het schuldbewuste China of de VS in de VN-Veiligheidsraad de verdragstekst er nog eens goed op naleest en toch echt tot de conclusie moet komen dat een veto tegen de sancties tegen hun eigen land wel heel erg onrechtvaardig zou zijn. Maar gelukkig gaat het volk hun leiders tot de orde roepen in het mondiale referendum over klimaatverandering. Ja, het staat er echt, een mondiaal referendum over klimaatverandering. Wel hopen dat er überhaupt nog een klimaat is tegen de tijd dat die eindelijk georganiseerd is. Daarnaast, de overheid moet het eens in zijn hoofd halen om mij te gaan vragen of ze wel of niet de natie voor een ondergang moeten behoeden. Lijkt me toch een standaardonderdeel van hun takenpakket. En wat als ons antwoord nee is?

 

Gelukkig is ook daar aan gedacht. Naast alle symboolpolitiek hadden de aanwezige regeringsleiders namelijk zelf ook behoefte aan een echte oplossing. Iets wat al die milieuvervuilers op de knieën zou dwingen, waarvan iedereen zou zeggen: "hier hebben we nou jaren op gewacht." Iets met wereldreddende potentie en bovendien: iets wat al die dromen over een mooie wereld een realistisch en levensvatbaar antwoord kan geven. Het zal ze wat hoofdbrekens hebben gekost, maar de helden van onze Moeder Aarde zijn met deze oplossing gekomen: we gaan het kapitalisme omver werpen. Want het is, zoals de aanwezige Hugo Chávez het zegt, "de dood of het socialisme".

Als ik de zo hoor hoe de socialistische presidenten het meest levensbedreigende probleem van deze tijd willen aanpakken ben ik er niet zo zeker van of er echt een verschil is.

 

  

Herintreden als tuinman (29)

 "Om eerlijk te zijn wil ik na 7 maanden vakantie wel weer gewoon iets doen, dus eigenlijk vind ik alles wel best." "Ok, ga het gras dan maar maaien", is de reactie. Ja, daar had ik dus niet op gerekend. Ik ben in Cochabamaba beland bij SomosSur, een idealistische organisatie die zich tot doel heeft gesteld het Boliviaanse volk te informeren. Eigenlijk ben ik vrijwilliger voor fair-trade organisatie ArBolivia, die haar communicatiestrategie laat uitwerken door SomosSur. En daar kan ik dus bij helpen, dat en het gras maaien.

Het gras is echter nog steeds flink op lengte, omdat er genoeg andere dingen te doen zijn. En al die dingen gaan op een heerlijk relaxte en informele wijze. Men loopt binnen wanneer men zin heeft, vertrekt wanneer men zin heeft en werkt wanneer er niets beters te doen is.

Echter niet omdat dit de gebruikelijke Boliviaanse manier van zaken doen is. Eerder deze week was ik uitgenodigd om een vergadering van de J.C.I. bij te wonen, vergelijkbaar met een lokale jeugdraad in Nederland. Na een aantal jaar bij verschillende Nederlandse clubjes te hebben rondgehangen dacht ik niet zo snel meer verrast te kunnen worden. Bij de opening bleek ik echter al ongelijk te hebben, toen alle aanwezigen opstonden en met de hand op de borst achtereenvolgens de lijfspreuk, missie en visie van de J.C.I. op te dreunen. Ik was eigenlijk te perplex om ook op te staan, maar gelukkig gaf het klapperen van mijn oren me genoeg opwaartse kracht om weer in het gelid te komen. Wat volgde was een spoedcursus Boliviaanse vergaderetiquette. . Het woord vragen doe je met "la palabra presidente" en na een "dime la palabra miembra" (zeg me het woord lid) van de presidente mag je achter het spreekgestoelte plaatsnemen. Een moeite die welgeteld drie van de aanwezige leden bereid is te nemen.

Niet dat het de vergadering veel korter maakte. Er waren immers nog genoeg essentiële ceremoniële punten te behandelen, zoals het tot drie keer toe voordragen van de agenda.

Nee, dan is de informaliteit van SomosSur toch efficiënter. Niks geen ceremonies, gewoon werken (als je wilt). Zo ben ik nu bezig met het analyseren van de uitslagen van de burgemeestersverkiezingen, waarbij ik het soms al als een overwinning voor de democratie moet beschouwen als er eens ergens meer partijen dan alleen de regeringspartij meedoen. En informaliteit of niet, het moet toch een keer af, daarom ben ik hier gisteren ook tot half twee ´s nachts mee bezig geweest.

Zucht... was het maar weer vakantie.

 

  

Dronken stemmen (28)

 

Bolivia is het op-één-na armste land van het meest inkomens-ongelijke werelddeel. Voor mijn verblijf in La Paz betekent dit dat ik overdag over straten loop gevuld door bedelaars en zwerfhonden en ´s avonds op mijn logeeradres in een groot huis achter een hoge muur een door de huishoudster bereidde maaltijd voorgeschoteld krijg, waarna ik een lekker warm bad kan nemen in mijn eigen badkamer. Hoewel ik mijn gastvrouw moeilijk haar rijkdom kan misgunnen (gezien de 60-urige werkweken die ze in haar eigen bedrijf steekt), is het toch een vreemde gewaarwording om zulke grote verschillen te zien.

De Boliviaanse president Evo Morales, die zichzelf de eerste inheemse president van Bolivia noemt, is leider van de socialistische partij en zou de ongelijkheid dus terug moeten brengen. Zijn groeiende populariteit bij het volk doet vermoeden dat hij hierin succesvol is.

Zondag is een nieuwe graadmeter: de burgemeester en gouverneursverkiezingen. De verkiezingen worden hier een stuk serieuzer genomen dan ik van Nederland gewend ben. Ten eerste is stemmen niet alleen een recht, maar ook nog een plicht. Al kan ik me moeilijk voorstellen dat iemand zou kiezen niet te gaan stemmen, aangezien dat ongeveer de enige mogelijkheid is om die dag het huis te verlaten. Om te voorkomen dat mensen een dubbele stem uitbrengen worden ze geacht op de verkiezingsdag zo min mogelijk naar buiten te gaan voor andere dingen dan stemmen.

De twee dagen voor de verkiezingen zijn alle kroegen gesloten. Om toch wat te kunnen drinken ga ik daarom op vrijdagavond naar een heuvel boven de stad Cochabamba om daar in gezelschap van de autoradio toch van een drankje te kunnen genieten. Voor hoe lang het duurt. Al snel krijgen we gezelschap van twee motoragenten die ons meedelen dat we in overtreding zijn. Vanwege drinken in het openbaar? Nee, dat is normaal geen probleem. 48 uur voor de verkiezingen is het nuttigen van alcohol en andere geestvertroebelende middelen echter wel verboden. Je zou toch met je dronken kop besluiten op de oppositie te stemmen.

 

 

 Natuurproblematiek in Zuid-Amerika (27)

Er zijn van die dingen die je niet ziet als je alleen met je VVV-gidsje de omgeving van je hotel verkent. Van die dingen waar alleen de locals vanaf weten of die zelfs de meeste locals niet kennen. De spectaculaire stroomversnelling in de Rio Madeira, nabij Porto Velho, valt in de laatste categorie. Tenzij je er naast woont moet je waarschijnlijk een bioloog aan de lokale universiteit zijn om hiervan af te weten. Of zo gelukkig zijn om bij drie van deze biologen in huis te verblijven.

In de Rio Madeira wordt hard gewerkt aan de constructie van een nieuwe stuwdam. Mijn biologen doen onderzoek naar het effect hiervan op de vispopulatie. Hiervoor gaan ze regelmatig naar de stroomversnelling om de vangst van de lokale vissers op te meten. Ik mocht op een van deze expedities mee om één van de laatste kansen te grijpen om de stroomversnelling te zien, aangezien deze na de constructie van de dam zal verdwijnen. Wat hiermee ook verdwijnt is de unieke manier van vissen, waarbij vissers op een houten stellage boven het water liggen om de langzaam stroomopwaarts zwemmende vissen aan de haak te slaan. Voordat de vissers met hun vangst naar de markt gaan krijgen de onderzoekers de kans om de vissen op te meten, te wegen en de hoofden en ingewanden mee naar het lab te nemen. Blijkbaar is het mogelijk om aan de afgehakte ruggengraat de leeftijd van de vis af te, net als met jaarringen in een boom. Hoe dit bijdraagt aan het doen van voorspellingen voor het post-dam tijdperk is mij niet geheel duidelijk, maar de verwachting is dat de vispopulatie, ondanks de constructie van een speciale vissluis in de dam, een behoorlijke klap gaat krijgen.

Waar in Porto Velho het stijgende water voor problemen zorgt, wordt ik in de Boliviaanse hoofdstad La Paz geconfronteerd met een gebrek aan water. Na het smelten van een gletsjer in 2007 kreeg de stad voor het eerst met een watertekort te kampen, met twee andere gletsjers om de stad drijgt nu hetzelfde te gebeuren. Reden voor Reacción Climática om het Concierto Alerta Glaciar te organiseren. Om 10 uur zaterdagochtend zou de aftrap zijn. Toen om 12 uur het podium klaar was, was wel duidelijk dat dit niet gehaald zou worden en na de soundcheck kon om 13 uur dan eindelijk begonnen worden met een mix van bands en toespraken om het publiek te wijzen op de ernst van de situatie. Het hoogtepunt was de panfluit-metal band die mooi de culturele mix van Bolivia laat zien. Die het mede te danken heeft aan de Indiaanse bevolking die hier, in tegenstelling tot veel andere Zuid-Amerikaanse landen, nog volop aanwezig is. Of dit alles geholpen heeft? Kleine kinderen kregen een groot vel ter beschikking waar ze hun creatieve associaties met klimaatonderwerpen op kwijt konden, aan het enthousiasme waarmee hier auto´s op verschenen zou je denken van niet. Later die dag zag ik echter een moeder haar kind op de kop geven voor het gooien van afval op de straat. Klinkt misschien niet zo bijzonder, maar dit was voor het eerst dat ik dit zag na twee maanden in het zo straatvuil-rijke Zuid-Amerika.

Amazonetour (26)

 

 

Als je Manaus bezoekt kun je er eigenlijk niet omheen een uitstapje naar het regenwoud te maken. De stad ligt midden in de Amazones en stroomt dan ook over van de toeristenbedrijven die tochten de wildernis in aanbieden. Op wat mijn laatste avond in Manaus moest worden dreigde ik echter te ontsnappen zonder aan deze verplichting voldaan te hebben. Gelukkig werd ik, wachtend voor een stoplicht, gespot door de broer van 'dr. Armstrong', die me wel even mee zou nemen naar het kantoor om me hun geweldige aanbod te laten zien.

Het kantoor bleek al snel een uit één tafeltje bestaand terrasje te zijn waar dr. Armstrong en zijn gids een grote fles bier gezelschap hielden. Mijn glas stond al klaar en toevallig zat er ook nog een Duitser aan tafel die mij dolenthousiast vertelde van wat voor een geweldige tocht hij vandaag was teruggekeerd. Al snel kreeg ik een niet af te slaan aanbod in de schoot geworpen: drie dagen kanoën, krokodillenjagen, overnachten en met dolfijnen zwemmen in de Amazone voor een geenszins onredelijke prijs, slechts in gezelschap van de gids en twee bloedmooie Deense dames. Bijna te mooi om waar te zijn. Zo dacht ik er ook over en terwijl mijn bierglas nog eens bijgevuld werd begon ik wat twijfels kenbaar te maken. Gelukkig waren mijn tafelgenoten vol begrip; zo'n arme backpakker een jaar lang op reis heeft het natuurlijk ook niet breed. Maar dit was een eens-maar-nooit-weer kans en ze gunden het me zo. Snel begon de prijs dan ook te dalen ("maar mondje dicht tegen de Deense meisjes hè!") en voor ik het wist kon ik voor de helft van het oorspronkelijke bedrag mee. Alsof dat nog niet mooi genoeg was kwamen er ook nog eens twee gratis overnachtingen in Manaus bij en kon ik daarna drie maanden lang voor ze aan de slag als junglegids, tegen 20% van de inkomsten. Ik herinnerde me plotseling de eerdere waarschuwing voor malafide aanbieders van dit soort uitstapjes en bedacht me dat iemand het wel heel goed met me voor moest hebben, zouden zij niet binnen dit profiel passen.

De volgende ochtend ging ik dan ook, zoals gepland, op weg naar Porto Velho. Alhoewel, zoals gepland? Richting vragend naar de weg naar Porto Velho kreeg ik steeds hetzelfde antwoord: "die is er niet". Nu wist ik wel dat dat niet klopte, maar schijnbaar was de kwalificatie 'moeilijk begaanbaar' wat serieuzer dan ik mij had voorgesteld. De gebruikelijke vervoerswijze hier bleek de boot te zijn. Zo heb ik dan toch mijn Amazonetocht gekregen en heb ik vier dagen lang uitzicht gehad op de prachtige natuur in en rondom de Rio Madeira. Krokodillenjagen en zwemmen met dolfijnen zit er helaas niet bij, of ik hierna drie maanden lang aan de slag kan als veerbootkapitein heb ik nog niet nagevraagd.

  

  

Stelletje vieze kapitalisten (25)

 

 

De afgelopen vijf jaar heb ik ongeveer half Europa afgelift. De laatste paar maanden zijn daar het Caribisch gebied en Venezuela nog bijgekomen. In al die tijd zal het me twee of drie keer zijn overkomen dat iemand om betaling vroeg. Tijdens de eerste uren in Brazilie kwam echter uit negen van de tien voorbij racende auto´s een hand met het internationale ´geef me geld´ gebaar tevoorschijn. "Stelletje vieze kapitalisten" was dan ook mijn eerste indruk van het land. Gelukkig stopte er vlak voor het vallen van de avond toch nog een auto die mij de resterende 200 kilometer naar Boa Vista hielp te overbruggen, waar ik mijn beeld van de Brazilianen kon laten aanpassen.

 

Op zoek naar het stadscentrum klopte ik aan bij een willekeurig huis. Oom, tante en nichtje kwamen net thuis en heel even leek het erop dat ik inderdaad met een routebeschrijving op zak weer verder kon. Al snel bleek dat dit ijdele hoop was, toen op een stoel in de tuin werd gezet om in half-Engels/half-Spaans mijn reisverhaal uit de doeken te doen. Niet dat er iemand anders aanwezig was die Spaans sprak, maar ik was op dat moment nog van mening dat dit voldoende op Portugees leek om het er ook maar tussendoor te gooien. De auto die mij naar het centrum zou brengen was inmiddels zonder opgaaf van reden vertrokken.

 

Toen de auto even later weer terugkeerde kwam er een dampende verse salami-pizza uit te voorschijn. Ik was dusdanig ontroert door de manier waarop mijn eerste indruk teniet gedaan werd dat ik maar beslot te verzwijgen dat ik vegetariër ben. Gelukkig kon gastheer Iunio halverwegen de pizza mijn getreuzel niet meer aanzien en werd ik met het restant en een fles frisdrank naar het goedkoopste hotel gebracht.

 

De volgende avond had ik inmiddels een ander gezin gevonden om bij te kunnen slapen en werd ik door Iunio en zijn vrouw Diana meegenomen naar de kerk. Even schrok ik wel toen bleek dat het om een baptistische kerk ging. Zou ik weer, net als in Londen, een uur lang te horen krijgen hoe slecht, zondig en verloren ik was? Het tegendeel bleek waar. Na een minuut of vijf werd ik gesommeerd op te staan en kwamen uit alle hoeken van de kerk mensen tevoorschijn om mij en andere nieuwkomers een warm welkom te heten.

 

Van de preek heb ik niets verstaan, maar de speciaal ingelaste knuffelpauze sprak boekdelen. Overigens stak men ook buiten deze pauze om gerust de halve kerk over om een mede-kerkganger of de pastoor een stevige omhelzing te geven. Ook voor mij werd de halve kerk overgestoken toen er een vrouw gevonden was die Engels sprak en graag met mij en Iunio wilde bidden. Wederom niet om te smeken dat ik toch eindelijk het licht zou zien, maar om de heer te bedanken voor mijn komst en mij een goede reis te wensen. Of het geholpen heeft? Geen flauw idee, maar het gewraakte ´geef me geld´ gebaar heb ik sinds Boa Vista niet meer gezien.

 

 

 

 

Tijgers (24)

 

 

Een half jaar lang bijna onafgebroken doorbrengen met iemand met wie je niet van plan bent te trouwen is lang. Niet lang genoeg om elkaar de hersens in te slaan of scheldend over straat te gaan, maar wel té lang. Zo heeft het kunnen gebeuren dat ik nu onder begeleiding van salsa-muziek in Zuid-Venezuela een nieuw stukje aan het schrijven ben, terwijl Gudo ver weg in Florida zit. Voor ons beide een nieuwe uitdaging om te zien of we ons ook zonder elkaars gezelschap een beetje kunnen vermaken. Een nieuwe uitdaging die mij op het moment vooral tijgers beidt.

Na Colombia uitgetrapt te zijn gaat mijn reis nu richting Brazilie. De gastvrijheid tussen mijn laatste slaapplaats in Venezuela (Puerto Ordaz) en de meest noordelijke stad van Brazilie (Boa Vista) heeft zich niet op internet georganiseerd. Reden voor mij om een poging te doen de tussenliggende 800 kilometer in één dag af te liften. Iets wat jammerlijk mislukt. Als ik tegen zonsondergang het halverwege liggende dorp ´km88´ uitloop komt daar ook nog eens de waarschuwing bij dat er tijgers op de loer liggen. Nu durfde ik sowieso mijn hand er al niet voor in het vuur te steken dat mijn tent tijgerproof was, na het mierenavontuur kan ik dit al helemaal vergeten. Op zoek naar een veiligere slaapplaats dus.

Gelukkig zijn ook hier huizen te vinden met een grote muur eromheen. Bij de eerste maak ik een praatje over mijn vooralsnog mislukte poging, ze vragen zich af waar ik dan ga slapen. "Geen idee" zeg ik en wijs lachend naar hun tuin. Het werkt. Voor ik het weet ligt er een matras klaar op de veranda, staat er een bord eten voor mijn neus en laat ik aan een compleet verbijsterd gezin in mijn zakatlas zien hoe vaak Nederland in Venezuela past. Als alles goed gaat steek ik morgen de grens met Brazilie over. Ik hoop het, want een beter afscheid van de gastvrije Venezuelanen zal ik waarschijnlijk niet vinden.

 

   

 De autoriteiten aan het werk zetten (23)

 

 

"Dus we hebben echt geen stempel nodig?" vraag ik nog aan de douanier, "Nee" is de reactie "het is goed zo". De militairen die we een halve dag later tegen komen denken daar toch anders over. Zo brengen we onze eerste nacht in Colombia door in een militair kamp, zo´n tweehonderd kilometer van Puerto Carreño, waar de we grens met Venezuela zijn overgestoken. Het vormt een goede kennismaking met de Colombiaanse gastvrijheid. Hoewel het nog twee dagen zou duren voordat we onze paspoorten weer terug krijgen we vanaf de eerste dag in Colombia te eten, te drinken en onderdak. Eerst bij de militairen, de tweede dag bij de immigratiepolitie die ons in het kamp oppikt en weer terug naar Puerto Carreño brengt.

De autoriteiten lijken flink de schrik in te hebben over onze illegale grensoversteek. Ondanks dat wij maar blijven benadrukken dat het allemaal een misverstand is, wordt een vijfkoppig team (waarvan drie goed bewapende militairen) opgetrommeld om ons terug naar Puerto Carreño te brengen. Daar aangekomen worden vier agenten ingeschakeld om uit te pluizen of het wel goed zat met ons. Iets wat gebeurde onder een vrij relaxte en soms zelfs melige sfeer, aangezien zij inmiddels ook wel doorhadden dat we gewoon twee verwarde toeristen waren. Toen even later een hogere officier het kantoor binnen kwam ontstond dan ook een Amerikaanse politieserie-achtige scène. Terwijl Gudo aan een stevig verhoor onderworpen werd begonnen de anderen agenten onder elkaar te klagen over die ´FBI-agent´ die het onderzoek over kwam nemen, terwijl zij het toch perfect onder controle hadden. Even sloeg de schrik mij om het hart toen een man die net latex handschoentjes had aangetrokken mij vroeg mee te komen, al snel bleek dat hij gelukkig slechts mijn tas op verboden middelen wilde doorzoeken en niet de meer gevoeligere plaatsen.

Ondanks de meligheid van het verhoor en het begrip en de gastvrijheid van de immigratiepolitie konden we een dag later het land weer verlaten. Het hoofdkantoor in Bogota had besloten dat we een grove fout hadden gemaakt door de geüniformeerde autoriteit aan de grens te geloven en het komende jaar zijn we niet meer welkom.

Weer terug in Venezuela blijkt dat we ook daar de veiligheidsdiensten flink aan het werk kunnen zetten. Nadat Gudo zijn tas (met daarin bankpas en creditcard) in een taxi laat liggen bezoeken we het politiekantoor. Het doel is eigenlijk alleen om een aangiftebewijs te krijgen voor de verzekering, maar binnen een paar uur weet zo´n 50% van de in de stad aanwezige leger en politiefunctionarissen wat er gebeurd is, de andere 50% denkt dat het om een geweldadige overval gaat. We worden meermaals op patrouille meegenomen door Puerto Ayacucho om de betreffende taxi te zoeken en bij de vele militaire posten worden alle auto´s die aan onze vrij brede omschrijving voldoen aangehouden. Na zo´n zestien uur heeft het resultaat, onze taxichauffeur komt Gudo´s portemonnee terugbrengen bij de militaire post waar wij op de uitkijk staan. De tas (verder zonder inhoud) heeft hij alleen nooit gezien.

Alle ophef over de ´beroving´ heeft nog een andere positieve bijwerking: na bijna een maand lang overal in Venezuela met "gringo´s" of " americano´s" te zijn aangesproken stopt er deze middag een automobilist met de vraag "hé, zijn jullie Hollanders?" Ietwat verbouwereerd antwoorden we dat dat inderdaad het geval is, "ik heb over jullie op de radio gehoord, is de tas inmiddels terug?"

 

 

 

Dodelijke zwarte puntjes (22)

  

 

Vroeger op de basisschool heb ik eens een werkstuk gemaakt over wereldreizen. Computers waren toen nog niet zo normaal, dus het bestond uit handgeschreven stukjes over Columbus en de zijnen, met pritstift ingeplakte plaatjes en een wereldbol op de voorkant. Die wereldbol was uiteraard zelf getekend en zoals een wereldbol voor een 10-jarige hoort te zijn: het land groen, het water blauw en alles een beetje bij benadering. De kaart waarmee wij vorige week de Venezuelaanse jungle introkken had ongeveer dezelfde kenmerken, alleen waren daar dan nog kleurige indianendorpjes en hier en daar een bergje aan toegevoegd. Erg kansrijk was de missie dan ook niet om met die kaart een poging te doen de hoogste waterval ter wereld eens op te gaan zoeken, je kunt je zelfs afvragen hoe kansrijk het was om überhaupt de jungle weer uit te komen. De eerste missie is dan ook niet behaald, de tweede gelukkig wel, al is het ter nauwernood.

De orientatie was nog niet eens zozeer het probleem, we hadden het geluk dat er niet veel meer dan één pad was en er hier en daar een indiaan opdook om ons de weg te wijzen. Om maar gelijk een door Hollywood ontwikkeld vooroordeel de wereld uit te helpen: indianen beginnen niet zodra ze je spotten met verdovingspijltjes te strooien, maar zijn gelukkig uiters behulpzaam bij het vinden van een weg door de jungle. Wat ons wel bijna de kop kostte waren de wilde dieren. Niet dat we achterna zijn gezeten door angstaanjagende rovers als panters, krokodillen of slangen, nee, het was veel erger.

De laatste avond in het oerwoud hadden we het geluk een hut/afdakje te vinden waar we de nacht konden doorbrengen. Niet dat dit mij ervan weerhield de tent op te zetten, je moet immers toch het ongedierte buiten houden, Gudo sliep in zijn hangmat. Na ongeveer een half uur begon ik mij af te vragen wat al die zwarte puntjes toch op mijn tent deden en vooral, hoe sommigen er doorheen wisten te vallen. Na nader ondezoek bleek het om mieren te gaan. En hoe ze door de tent heen vielen? Dat is niet zo moeilijk als je er eerst een groot gat in kauwt. De tent was op dat moment al niet meer te redden en het leek mij een nuttig offer om de mieren mee te verleiden ons verder met rust te laten. Zo kon ik, na van de verbazing bekomen te zijn, rustig op mijn nieuwe stek gaan slapen. Niet te intensief echter, want dan zou de wankele 1,5 meter hoge stellage waarop ik lag het weleens kunnen begeven. Ook niet te lang, want de uitspraak ´verandering van spijs doet eten´ blijkt ook voor mieren op te gaan. Ze lieten de tent voor wat hij was en zochten mij weer op, zichzelf veradend door hun luide gekauw, die soms verdacht veel op een kwaadaardige lach leek. Gelukkig vond ik uiteindelijk een veilige haven op een 25 centimer brede plank die slechts aan de uiteinden toegang bood voor de mieren. Na deze te hebben ingespoten met insectenspray was het wachten op de ochtend.

Het eerste daglicht deed de ravage goed blootleggen: schoenen, kleren, tent, rugzakken, alles waar de mieren bij in de buurt konden komen had inmiddels een klein gedeelte van zich in een ongetwijfeld zeer imposante mierenhoop elders in het oerwoud. Het enige waarmee we ons gelukkig konden prijzen was dat het hier schijnbaar niet om een mensetende soort ging en we er zelf ongeschonden vanaf kwamen.

 

   

 

  

(¡UH!) ¡AH! Chávez (21)

 

 

"Pieeeeeeep" klinkt het luid terwijl de airco, verlichting en de muziek wegvallen. Enkele tellen later volgt een gefrustreerd "Ah,Chávez! " van onze gastvrouw Dana. Het is één van de vier stroomstoringen die we meemaken tijdens ons driedaagse verblijf in Cumana.

 

Net als de gaten in de weg en de lange wachtrijen bij de banken zijn het voor Dana allemaal goede redenen om Chávez te vervloeken. Niet iedere Venezuelaan is namelijk even dol op hun socialistische president, zo blijkt ook uit de studentendemonstratie die we de eerste dag tegenkomen. Een vriend van Dana, Gustavo, grijpt echter iedere kans aan om het voor de leider op te nemen, hoewel ook hij niet geloofd dat hij eigenhandig het land gaat redden.

De 'man van de straat' tikt ons zelfs spontaan aan om maar even te vertellen dat Chávez goed bezig is. Het moge duidelijk zijn dat de meningen verdeeld zijn. Er is echter één ding dat voor iedereen geldt die zonder blindengeleidenhond over straat gaat: je kunt niet om Chávez heen. Iedere straat heeft wel een "¡UH! ¡AH! Chávez" of een andere spreuk die duidelijk maakt dat in socialisme aan het land gebouwd wordt.

Waar al dat socialisme nog niet voor gezorgd heeft is een gevoel van veiligheid. Zo heeft Gustavo laatst nog een pistool tegen zijn hoofd gehad en is een paar huizen verderop van waar wij verblijven twee weken geleden een vrouw vastgebonden en beroofd. Dit laatste ondanks de muren voorzien van schrikdraad die om de buurt heen staan, de beveiligers bij de poort, de muren en hekken die ook nog eens om ieder huis heen staan en de tralies voor de ramen en deuren. Ons wordt dan ook maar verteld dat er bepaalde buurten zijn waar we, als we het land weer leven willen verlaten, zeker als ´gringos´ maar beter weg kunnen blijven. Levenslustig als we zijn hebben we dat ook maar braaf gedaan en zijn we inmiddels veilig en wel in de volgende stad aangekomen; Puerto Ordaz.

 

Van het grote energietekort waar het land mee kampt is hier weinig te merken. Een stroomstoring hebben we in onze drie dagen hier nog niet meegemaakt, electrocutiehekken zijn ook hier overal te vinden en straatverlichting staat midden op de dag gewoon aan. Gelukkig gaat deze ´s nachts wel uit, dan kun je tenminste veilig over straat zonder gezien te worden door al die gevaarlijke mensen hier.

  

 

Waarschuwing van de weergoden (20)

 

 

“Als ik dit van tevoren had geweten, had ik jullie nooit meegenomen”, verzucht kapitein Charles. Het is niet dat we zo ontzettend lastig zijn of net z´n boot op de klippen gestuurd hebben. Het blijkt alleen nogal lastig om ons goed en wel het land binnen te krijgen; omdat we niet met deze boot weer zullen vertrekken wil de douane graag weten hoe we dan wel het land uit gaan. Als we zonder dat bewijs van Charles' papieren verdwijnen zou hij ervan verdacht worden ons een enkeltje zeebodem bezorgd te hebben.

Buskaartjes de grens over zijn er helaas niet te krijgen op het eiland en een paar honderd euro uitgeven aan een vliegticket dat we toch niet gebruiken is een beetje zonde. Gelukkig biedt het lokale reisbureau uitkomst. Nu iedereen zijn vliegtickets zelf thuis uit kan printen zijn deze niet meer zo moeilijk na te maken. Voor 15 euro p.p. komt het zelfs met kloppend vluchtnummer en kleurig reisbureaumapje. Knappe douanier die daar doorheen prikt.

 

Zo waren we inderdaad een paar uur later volgens de autoriteiten op weg naar Curaçao, volgens de gps naar het Venezuelaanse vaste land. Zo makkelijk lieten de weergoden ons echter niet wegkomen met onze frauduleuze daad. Zo´n tien mijl ten noorden van ons einddoel Cumana joeg de veel te sterke wind ons naar een ogenschijnlijk verlaten haventerrein, waar we tijdens het aanmeren begroet werden door twee mannen met shotguns. Gelukkig bleken deze bewakers ons goed gezind en mochten we de nacht daar doorbrengen. Door ze te paaien met een paar biertjes hoopt Charles zelfs hun bescherming te krijgen.

 

 

2 uur 's nachts. Met een felle zaklamp wordt de boot goed onder de loep genomen door vijf Venezuelanen. Met name de buitenboordmotor van de rubber boot lijkt erg in de smaak te vallen. Aangezien de mannen met de shotguns druk bezig lijken te zijn het gedoneerde bier, moet de 75-jarige kapitein zelf in zijn onderbroek aan de slag.

Wonderlijk genoeg slaagt hij erin de bezoekers ervan te overtuigen dat er elders veel betere motoren te krijgen zijn. De volgende dag kunnen we de reis naar Cumana voortzetten. Mét buitenboordmotor en blij toe dat de weergoden het bij een waarschuwing gelaten hebben.

    

 

 

De vin, du pain, du boursin (19)

 

 

Het is niet dat ik geen Frans spreek. Met wat ik onthouden heb van de middelbare school en na een beetje ingekomen te zijn in een Franstalig gebied lukt een simpel gesprekje best, soms zelfs wel wat meer dan dat. Toen de Franse kapitein van onze nieuwe boot ons opbelde ging het begin van de conversatie dan ook best soepel. Hij was die kapitein van de boot, het ging goed met hem en ja, met mij ging het ook goed.

 

Daarna ging het mis. De verwachting was dat het afspreken van een vertrektijd zou volgen, zodra het gesprek echter op belangrijke afspraken dreigde uit te lopen verviel kapitein Charles in onverstaanbaar geschreeuw. Uit gesprek één concludeerde ik dat er iets mis was en we niet mee konden. Nog maar eens terugbellen dan. Dat ging beter: we konden wel mee en zouden vertrekken op donderdagmiddag 17 uur. Daarnaast konden we wel mee en zouden we vertrekken op vrijdagochtend 7 uur.

Toch goed nieuws dus, alleen... die vertrektijd... Na gesprek drie trok ik de conclusie dat de eerste tijd de ontmoetingstijd was. Al was dat vooral omdat me dat wel logisch leek, als Charles alleen "Du pain, du vin, du boursin" gezegd had was ik waarschijnlijk tot dezelfde conclusie gekomen. Of hij inderdaad alleen dat gezegd heeft ben ik nog steeds niet achter, maar toen we op donderdag om 16.30 uur op goed geluk bij de plaats aankwamen waar we hem voor het eerste gezien hadden stond hij al te wachten.

 

We mochten nog steeds mee naar zijn boot en daar zou de volgende ochtend de reis beginnen die ons naar Isla Margarita (Venezuela) zou leiden, met tussenstops op Saint Lucia, Saint Vincent, Bequia en Grenada. En dat allemaal in drie á vier dagen. Een vlugge berekening van mijn kant leverde op dat dit ons zo´n vijf minuten per eiland gaf. Nu we een week later net op Margarita zijn aangekomen blijkt dit redelijk te kloppen.

Vreemd genoeg begon de reis met een telefoontje uit Frankrijk dat hij zo snel mogelijk naar het thuisfront terug moest keren. Naast dat we nu na Margarita naar het vasteland door zouden gaan, betekende dit ook dat hij haast had. Minder tussenstops dus en meer zeilen. Maar als je zoveel moois onderweg tegenkomt kun je niet anders dan even stoppen, toch? Dat we uiteindelijk toch aangekomen zijn ligt waarschijnlijk ook aan zijn voorliefde voor schoonheid, gezien de vijf vrouwen (al dan niet betaald) die de 75-jarige snoeperd er in dit land op na houdt.

 

We hebben hem nu dan ook maar even de privacy van zijn eigen boot gegund en zijn het eialnd opgegaan, in de hoop dat bij terugkeer onze cabines niet vergeven zijn.

 

 

 

Gastvrijheid en staartdelingen (18)

 

We waren er al regelmatig voor gewaarschuwd als we weer eens naar het ene of andere strand aan het liften waren om onze tent op te zetten. "Je weet maar nooit wie je tegenkomt of wie je een lift geeft. Het is hier best veilig, maar toch..." Eigenwijs als we zijn besloten we het op Martinique toch weer te doen. En dat hebben we geweten.

 

Na zo'n 20 meter gelopen te hebben vanaf de plaats waar onze eerste lift ons afzette, stopte alweer een nieuwe auto waaruit heftig gewenkt werd. We probeerden nog duidelijk te maken dat we de andere kant op wilden, maar het was al te laat. Wij en onze bagage moesten en zouden de auto in en waar we heen gingen bepaalden zij zelf wel. Gelukkig voor ons was dit niet een van de personen waarvoor we gewaarschuwd waren, maar iemand die zelf graag waarschuwde: "Met je tent in de vrije natuur? Geen denken aan! Mijn achtertuin is veel veiliger."

 

Zo zijn we inmiddels al een week onderdeel van het gezinnetje van Danielle en haar twee dochters Chana en Alizée, wat betekent goed gezelschap, heerlijk eten en de grote broer spelen. Dat laatste is makkelijker gezegd dan gedaan, een rondje door het dorp fietsen of sterren aanwijzen lukt in ieder taal wel, maar ooit geprobeerd in uw net afgestofte middelbare-school Frans een staartdeling uit te leggen? Om de communicatie wat makkelijker te maken leek het handig onze gastvrouwen ook wat Nederlands te leren. Erg soepel ging dit echter niet. Mocht u daarom ooit in Martinique iemand tegenkomen die u een "lieve jongen" noemt, voel u niet te gevleid, ze denken waarschijnlijk dat u een groot varken bent.

 

Ondanks dat het hoofdstuk rekenen in onze Spaanse taalgidsje zelfs geheel afwezig is, wagen we het er toch op hierna naar Venezuela te gaan. Met het doel een lift hiernaartoe te vinden kwamen we eerder deze week met een tas vol proviand en spelletjes. Een nieuwe boot vinden kost namelijk meestal zo'n drie dagen wacht zitten en dan kun je maar beter goed voorbereid zijn. Waar we niet op voorbereid waren was dat de eerste kapitein die langskwam inderdaad naar Venezuela ging en zelfs plaats had voor twee lifters. Enig nadeel is dat hij nog een paar dagen bezig is zijn boot te repareren en wij inmiddels het eiland al wel verkend hebben. Toch nog maar eens aan die staartdeling gaan zitten dan.

 

 

 

Terug naar Europa (17)

 

“Ah, dus jullie hebben een boot gevonden?”, vraagt het Britse Koppel dat ons geenszins bekend voorkomt ons in het voorbijgaan. We kijken elkaar weinig begrijpend aan, denkend: “We zullen ze gisteren wel om een lift gevraagd hebben” en: “Tuurlijk hebben we geen boot gevonden, we zijn er toch nog!” Voor we de kans krijgen een van deze gedachten uit te spreken lost het raadsel zich echter al op als ze bekennen ons te herkennen van de foto op het prikbord in Las Palmas de Gran Canaria.

 

Ze voelden zich er dusdanig schuldig over dat ze onze roep om een lift niet konden beantwoorden dat onze smekende blikken in hun geheugens gegrift werden. Het laat maar weer zien hoe klein dit wereldje is. Zo ook met de Blue Water Rally (een zeilrace om de wereld) die we bij al hun drie etappestartplaatsen tot nu toe al lastig gevallen hebben (zo snel racen ze dus niet). Helaas heeft al die herkenning ons nog niets opgeleverd. Al heeft de Schotse kapitein van Lanzarote, Gran Canaria en Antigua al wel toegezegd ons de Stille Oceaan over te brengen als we hem in Panama weer tegen het lijf lopen.

 

Voorlopig moeten we het dus hebben van nieuwe contacten. Die opdoen is makkelijker gezegd dan gedaan. Schijnbaar kost het oversteken van een oceaan zoveel dat, aan de overkant gekomen, niemand zich nog een plaats in een jac hthaven kan veroorloven en men massaal zijn anker uitgooit. Omdat de wacht houden bij de rubberbotenaanlegplaats ons weinig anders opleverde dan een backgammontoernooi met een paar Zweden, wiens boot vol zat, en de onverdeelde aandacht van de 8-jarige Charlie, wiens ouders, zoals verassend veel zeilers, nergens heen gingen, zat er nog maar een ding op.

 

Zwemmen; dé tip voor iedereen die zich zorgen maakt om die extra feestdagenkilo’s. Want als je door afwijzing na afwijzing de hele twee kilometer lange baai af moet zijn die er zo af. Zeker als je, nadat je dan toch een boot gevonden hebt, hetzelfde stuk ook nog eens moet roeien om de geleende flippers terug te brengen en de misschien-wel-afspraak van de volgende ochtend af te zeggen. Maar, de nieuwe boot is uiteindelijk toch gevonden.

 

Deze aflevering komt dan ook uit het oude vertrouwde Europa. De Canadese René heeft ons namelijk meegenomen naar Martinique, wat betekent dat de auto’s weer rechts rijden, de geldautomaten weer euro’s leveren en de supermarkten weer brie verkopen. Of al deze Europeesheid onze heimwee niet te veel doet opwekken? Kleine kans, het laatste weerbericht uit Nederland: rond het vriespunt en sneeuw. In ons ‘Europa’: 30 graden en zon? En dat noemen ze hier dus winter.

 

 

Groenteverkoop onder de toonbank (16)

 

Drie keer behoord scheepsrecht te zijn. Nadat Børge ook de derde keer dat hij ons van zijn boot af gooide weer in trok besloten we dan ook maar zelf te vertrekken. Zo zijn we verlost van zijn stemmingswisselingen en kunnen we weer rustig gaan slapen, zonder de angst dat één van ons in comateuze toestand over boord vliegt omdat het eten vijf minuten te laat opgediend is.

 

Het grootste nadeel hiervan is dat de douane van Antigua bewijs wil hebben dat je het land weer verlaat, voordat je van de bemanningslijst kan worden geschrapt. Zo zaten wij enkele dagen later noodgedwongen in het vliegtuig naar Saint Vincent. De grootste overeenkomst tussen beide eilanden is dat de bevolking vol zit met bezorgde ouder-figuren. Het is daarom voor ons even wennen om na de uitleg van onze reis niet meer met een enthousiast “wat een geweldig idee!” beantwoord te worden, maar met een verontwaardigd “weet je moeder daar wel van???”

 

Gelukkig werden we op onze eerste dag op Saint Vincent onder de hoede genomen van Ricky. Ricky was net weggelopen van huis omdat zijn vrouw te jaloers was. Dit gebrek aan vertrouwen was natuurlijk volkomen onterecht en dus was hij op zoek naar een ander meisje om de nacht bij door te brengen: “dan zal ze wel zien dat ze ongelijk had.” Voor het zover was had hij echter nog wel tijd om twee lifters een uitgebreide tour over het eiland te geven en een goede slaapplaats voor ze uit te zoeken.

 

Ook de volgende dag werd goed voor ons gezorgd. Eliza, een +/- 50-jarige ietwat verdwaalde vrouw die ons in een café de zegen van God kwam geven, stond erop ons door het zondagse Kingstown naar een supermarkt te leiden. Het enige dat echter open was waren de talloze kioskjes waar ze uitsluitend sardientjes, koekjes en bier verkopen. Pas nadat we Eliza hadden afgeschud kwamen we er achter hoe je hier aan een fatsoenlijke maaltijd kunt komen.

 

Toen we in de kleinste kiosk tot dan toe besloten hadden toch maar voor de koekjes te gaan raakten we in gesprek met de eigenaar. Na een paar minuten kwam de bekentenis dat hij eigenlijk een boer is. “Oh, wat verbouw je dan?” bleken de magische woorden te zijn. Eén voor één kwamen de wortels, erwten, aardappels en kokosnoten van onder de toonbank en achter de kiosk tevoorschijn. Begeleidt door uitgebreide kookinstructies werd het in onze handen geduwd. We begonnen ons al af te vragen hoe zoveel mensen van de koekjes-, sardientjes- en bierverkoop konden leven. De groenteverkoop bleek echter niet het antwoord te zijn, daarvoor weigerde de beste man namelijk enige betaling te accepteren. Zijn het dan toch alleen de kioskinkomsten? Nee, zo bleek weer een paar minuten later, of we er ook ganja (marihuana) bij wilde kopen? Tuurlijk, onder al die bier, koekjes en sardientjes blijft het toch een Caribisch eiland.

  

 

  

Lokale biertjes (15)

 

 Het is half drie ’s nachts en we zitten midden op de Atlantische oceaan. De wind is net in enkele minuten van kracht vijf naar acht gestegen, de regen komt met bakken uit de hemel zetten en de golven gaan richten de tien meter. De Genoa (voorzeil) klappert aan de ene kant van het touw lustig heen en weer*, aan de andere kant van het touw ben ik in gevecht om het zeil een beetje in bedwang te houden, wat hevig gekraak oplevert van de lier die tussen ons in zit.

 

Uit angst dat laatsgenoemde me in het gezicht vliegt heeft de stuurman me opdracht gegeven languit op de bank te gaan liggen. De kapitein die enkele tellen geleden nog druk bezig was het zeil te redden en simultaan vier bemanningsleden instructies te geven is inmiddels overgegaan tot paniekerig uitroepen dat we het zeil kwijt gaan raken, terwijl hij half over mij heen ligt.

 

Gelukkig is dit niet hoe de gemiddelde nacht tijdens de oversteek eruit zag. De eerste twee weken hebben we niets anders dan een heldere lucht en kalme zee gezien. Voor de laatste week stond een rechte lijn op het programma en was eigenlijk het enige gevaar fatale verveling. Gelukkig wisten de regelmatig langskomende stormpjes dit gevaar te neutraliseren. Wonder boven wonder is de Genoa er in bovenstaande nacht met slechts een paar schrammetjes vanaf gekomen.

 

Een paar dagen later was het wel raak. We zeilden die dag voor de derde keer deze tocht met het andere voorzeil; de Genaker. De eerste keer brak de bevestiging in de top van de mast af waardoor het zeil in het water belandde, de tweede keer viel de boot bijna om. De Genaker is eigenlijk alleen geschikt om met zachte rugwind toch nog een goede snelheid te halen. De derde keer dat we hem gebruikten was met een sterke zijwind.

 

“De wind is te hard, we moeten het zeil inhalen.” Het lijkt alsof er na die uitspraak van de kapitein niet zoveel meer mis kan gaan, met de Genaker is dit inhalen slechts een kwestie van de hoes er overheen trekken en de boel laten zakken. Zoals zo vaak werd die eerste zin echter gevolgd door: “ach, we wachten nog even.” Toen het anderhalf uur later nog steeds even was had de kapitein het stuur overgenomen van de autopiloot en stonden er inmiddels twee bemanningsleden klaar om het dek op te gaan en inderdaad daad bij woord te voegen: “zullen we dan daarna eten gaan maken?” vraagt het ene bemanningslid aan de andere. “Ja, aardappels vanavond?” De kapitein wilt zich ook in het gesprek mengen en kijkt op de klok in de kajuit, zijn antwoord als hij weer opkijkt en zich realiseert dat hij een stuurfout gemaakt heeft: “oh shit!” Enkele tellen later wordt dit collectief door de bemanning herhaald als het zeil weer terug naar zijn oorspronkelijke positie slaat en in tweeën breekt.

Ondanks die kleine tegenslagen zijn we na drie weken zeilen min of meer ongeschonden aangekomen op Antigua. Hier zijn we dan eindelijk waar we zo graag willen zijn. Europa uit, ver weg van Nederland, ver weg van alles wat we zo gewend zijn. Klaar om een nieuwe en onbekende wereld in te duiken en blootgesteld te worden aan het exotische... Die illusie houdt ongeveer tot de eerste kroeg stand, we hadden het al aan de gevel kunnen zien, maar we waren niet oplettend genoeg bij het naar binnen gaan. “Vijf biertjes graag” klinkt de bestelling, in afwachting van een vreemd lokaal brouwsel. Barman: “Heineken?”

 

 

Hmm... kaaaaaas (14)

 

252 flessen water, 60 appels, 5 kilo rijst, 32 broden, meel voor nog eens 32 broden, 600 liter water in de tanks en 48 limoenen om alle vis die we gaan vangen op smaak te krijgen. In totaal zo'n 1100 kilo aan eten en drinken (en overig water) is ingeslagen om te voorkomen dat we uitgemergeld aan de overkant van de oceaan aankomen. Makkelijk aan boord te krijgen was het niet. De beperkte ruimte was daarbij nog niet eens het grootste probleem, alles vervoeren ook niet, de bezorgauto van de supermarkt reed tot het begin van de steiger. Het grootste probleem was kapitein Børge.

 

Het moet voor hemzelf ook niet makkelijk zijn geweest; klem zitten tussen het belang van een goed doorvoede bemanning en de snelheid van de boot. Of het slechts was ter compensatie van onze hongerige blikken of omdat zeilen voor hem toch een snelle sensatiesport is weet ik niet, maar hij besloot voor het laatste belang te kiezen. Het leverde mooie gesprekken op tijdens het maken van de boodschappenlijst:

Bemanningslid 1: "Kaas, we hebben kaas nodig."

Bemanningslid 2: "Hmm... kaaaaaaaaas..."

Kapitein: "Dat blijft niet goed!"

Bemanningslid 1: "De eerste week wel als we de koelkast nog hebben, hoeveel hebben we nodig?"

Kapitein: "Niet overdrijven!"

Bemanningslid 3: "100 gram per persoon per dag? Dat is 3,5 kilo."

Kapitein: "2,5 is genoeg."

Bemanningslid 1 (schrijft op): "3,5 kilo kaas."

Bemanningslid 4: "En pindakaas, hoeveel pindakaas?"

Bemanningslid 2: "Hmm... pindakaaaaas..."

 

 

Goed, het idee is wel duidelijk. Aan het einde van vele herhalingen van dit patroon hadden we een paklijst die ons door vier weken zeilen heen moet brengen. Of eigenlijk, drie weken zeilen en een reserve week voor als we verdwalen. Ondanks alle moderne navigatieapparatuur aan boord is de kans dat we inderdaad verdwalen wel zeker aanwezig. We hebben namelijk nog geen bestemming. Was het eerste nog zeker dat we naar Saint Lucia zouden gaan, inmiddels is ook Grenada een optie of zelfs terug naar Nederland, in de vorm van de Nederlandse Antillen welteverstaan. Børge kennende zijn daar voor het einde van de eerste zeilweek nog zeker 4 mogelijkheden bij gekomen. Wanneer we weer grond onder onze voeten hebben is dus niet duidelijk en welke grond dat is al helemaal niet. Het enige wat we wel weten is wie er over boord vliegt als we te weinig voedsel blijken te hebben.

 

Oude bekende (13)

De afgelopen drie maanden zijn we aardig wat zeelui tegengekomen.

Veelal aardige mensen die bereid zijn ons te helpen met de 'gouden tip'. Vanaf dag één krijgen we dan ook al te horen dat Las Palmas de Gran Canaria dé plaats is om te bezoeken als je de oceaan over wil steken. Zoals al uit de vorige afleveringen duidelijk werd zijn wij niet te beroerd geweest om dit advies braaf op te volgen. Wat blijkt echter? Deze 'gouden tip' is geen goed bewaard geheim dat deze aardige zeelui alleen met ons delen, iedereen die wel eens een zeiltochtje wil maken maar zelf geen boot heeft weet hier al van. De enige manier om hier aan een lift te komen lijkt dan ook te zijn door met een rubberbootje voor de haven te gaan liggen om zo al het binnenkomend verkeer af te gaan voordat de aasgieren op het land erbij kunnen.

Omdat we dit jaar al genoeg tijd op het water doorbrengen leek dit ons niet zo'n aantrekkelijk plan. Groot was de opluchting dan ook toen we afgelopen zondagochtend wakker gebeld werden door onze nieuwe kapitein. Het was niet iemand die ons bericht op het zeilersforum gelezen had, ook niet een van de schippers bij wie we ons telefoonnummer hadden achtergelaten of iemand die reageerde op een van de dertien oproepjes die we door de jachthaven verspreid hadden. Het was een oude bekende: onze Noorse zeebonk Børge. Hij had net de Kanarische kust in zicht gekregen en de eerste bereikstreepjes die weer op zijn telefoon verschenen aangegrepen om ons te kunnen boeken.

Zoveel enthousiasme konden wij natuurlijk niet weerstaan.

Het probleem dat hij had was dat hij twee van zijn bemanningsleden waren kwijtgeraakt. Niet dat de overtocht van het Spaanse vaste land naar de Kanari sche Eilanden nou zo gevaarlijk was dat dit hen de kop gekost heeft. Bemanningslid 1 was nooit komen opdagen, bemanningslid 2 was op dat moment nog op de boot maar had zijn vertrek aangekondigd omdat hij van mening is dat Børge gek is. Gelukkig is dit oordeel geheel wederzijds, met als enige verschil dat het vertrokken bemanningslid wél een psychiater is. Zo zijn wij aan boord beland bij een deskundig gek verklaarde en een Hells Angel die mee is omdat hij "nodig uit zijn omgeving gehaald moest worden." De enige aan boord die al eerder zo'n oversteek gemaakt heeft lijkt wel in goede psychische conditie te zijn. Dan hebben we echter nog geen conclusies getrokken uit het feit dat hij het een goed plan vindt op de boot te blijven na een zesdaagse overtocht met twee 'gekken'. Waarom ook wij met deze bemanning mee gaan? De kans is groot dat we hier uitstekend tussen passen na drie weken heen en weer geslingerd te zijn en niets anders dan water gezien te hebben.

 

 

 

Shirtverkopers in spé (12)

 

 

Stel je voor: je bent net een week bij familie op bezoek geweest, komt ´s ochtends vroeg thuis na een lange vermoeiende reis, gaat je slaapkamer binnen om eens goed uit te rusten en vindt daar twee vreemde mannen in je bed. Het overkwam een van de bewoners van het studentenhuis op Gran Canaria waar wij verblijven. De twee vreemde mannen waren wij.

 

Bij aankomst op het eiland een paar dagen daarvoor spraken we af onze beoogde gastheer o peen feestje te ontmoeten, om later naar zijn huis te verkassen. Van het laatste is het nooit gekomen en dus besloten de studenten uit het huis van het feest ons in de kamer van een afwezige huisgenoot te stallen. Als we overal vanaf zouden blijven zou zij er niets van merken. Ware het niet dat ze niet op donderdag, maar al op woensdagochtend terugkwam. Ze is alleen een beetje boos op haar huisgenoten en niet op ons, we mgoen dus nog een tijdje in de woonkamer blijven slapen. Gelukkig maar, want we zouden de geweldige gesprekken die we hier hebben voor geen goud willen missen:

 

"Hoe lang zijn jullie al onderweg?"
"Inderdaad, de reis duurt ongeveer een jaar."
"Maar wanneer zijn jullie vertrokken? "
"We komen uit Nederland."

 

Ja, de noodzaak om meer Spaans te leren wordt hier snel duidelijk. Er zijn echter genoeg manieren om te communiceren zonder woorden. Dat is ook hoe we hier de eerste avond een spoedcursus ´lokale cultuur´ kregen. De tafel vol met traditioneel Spaans eten (en dat is geen paella en tortillas, maar aardappelomelet en brood met olijfolie), de glazen vol Kanarische honingrum en de kelen vol Spaans gezang, begeleid door de Kanarische variant op de gitaar. Om ons gelijk stevig in te laten burgeren duurde deze Spaanse fiesta (niet te verwarren met het hier eveneens populaire ´siesta´) tot 8 uur de volgende ochtend.

 

Tussen al deze cultuur moeten we natuurlijk ook nog tijd overhouden om hard naar een boot te zoeken. Iets wat nodig is, aangezien we hier voor het eerst geconfronteerd worden met flinke concurrentie. We hebben dan ook besloten ons geheime wapen in de strijd te gooien: een shirt met de tekst; " Bemanning nodig voor uw Atlantische oversteek? Vraag ons!" Voorlopig levert dit slechts reacties van mede-bootzoekers op: "waar hebben jullie die shirts vandaan?" en: "werkt het?" Nou, het trekt in ieder geval wat aandacht. Mocht het niks worden met dat bootliften dan kunnen we altijd nog shirtverkopers worden

 

 

Creatief sturen (11)

  

Koers op het scheepskompas checken, beetje bijsturen, gelijk weer terugsturen om de touwtjes waar het stuur aan hangt niet te breken, kijken of er nog andere boten in de weg varen en het stuur aandrukken met je bovenbeen. Zie hier de gebruiksaanwijzing voor het besturen van de Fortia. Afgezien van de tegenwind die de deze boot al maandenlang overal tegenkomt leek zij aan het begin van onze tocht er helemaal klaar voor te zijn. Dat zal misschien ook de reden zijn dat het pas in de laatste nacht fout ging. Op zo´n 100 nautische mijlen van de eindbestemming begon de autopiloot wat kuurtjes te vertonen. Reden voor kapitein Ole om in het holst van de nacht, terwijl de golven tegen de boot rammen, de bout met twaalf hele kleine ballet jes die het stuur vasthoudt los te schroeven. Wonderlijk genoeg konden elf balletjes nog gered worden. Balletje twaalf is het laatst gezien toen hij over de rand rolde, op weg naar de 2000 meter diepe oceaan. Toen een paar uur later de autopiloot er helemaal mee ophield moest er op mankracht verder gestuurd worden.

Een lang gekoesterde droom die uit kwam, na eerst de kop in gedrukt te zijn door de harde werkelijkheid van de alom aanwezige autopiloot. Ik had echter niet verwacht dat het stuur waarmee het dan eindelijk zou gebeuren slechts vast zou zitten met twee veren een een paar touwtjes. Dit valt echter in het niets bij de keer dat de boot door een rubberbootje over de Middellandse Zee getrokken door motorproblemen. Ook dit keer kwam de Fortia dus veilig in de haven aan.

Buiten het incident met het stuur was de reis voorspoedig. Zo voorspoedig zelfs dat er in zes dagen niemand zeeziek geworden is (nee, zelfs ik niet). Na twee maanden tips te hebben ontvangen als beschuit eten, cola drinken, speciaal armbandje dragen, droge biscuitjes eten, vis eten of gewoon niet gaan varen, kwam de winnaar uitendelijk van Scandinavische bodem; Tyrkisk pebber. Vooruit, dit klinkt misschien wat meer Turks, maar dit dropachtige wondermiddel komt toch echt uit Finland. Onze gastvrouw gebruikt het al enkele maanden met de stellige overtuiging dat het haar fit houdt en het lijkt te werken. Zo wordt zelfs voor mij de wereld rondvaren een plezierige onderneming.

  

  

Doe nooit wat je moeder zegt (10)

 

 

Een van de specialiteiten van mijn grootvader is het te pas en te onpas aanhalen van gedichten. Die van Willem Wilmink zijn zijn favorieten, maar er is ook één wijsheid van Annie M.G. Schmidt die hij graag citeert: " Doe nooit wat je moeder zegt, dan kom je altijd goed terecht." Nu moet ik eerlijk bekennen dat ik niet zeker weet of mijn eigen moeder me ooit de volgende waarschuwing heeft gegeven, maar een bekende uitspraak voor ouders wereldwijd is natuurlijk: "Niet de deur open doen voor vreemden". Gelukkig luisteren wij beter naar mijn grootvader.

 

 

"Er det flere Norske her?" zegt de man in de rubberboot. Hij heeft zich net omgedraaid en meert aan bij onze boot. De eerste keer dat dit gebeurde leverde het nog verbaasde blikken bij ons op, maar inmiddels weten we hoe we moeten reageren: "we're not Norwegian, it's just the flag." Hij gaat over in het Engels en we besluiten deze vreemdeling, die Ule blijkt te heten, binnen te laten. Een paar biertjes en een rondleiding over Gibraltar later komt de beloning voor ons ouderlijk gezag negerend gedrag: we mogen mee naar de Kanarische Eilanden met Uli en zijn vrouw whatever (" my name is to difficult, just call me whatever").

 

 

Zo blijven we dus nog even onder de Noorse vlag varen, al is het slechts ter nauwernood. Een paar dagen later en we waren namelijk onderweg geweest naar Marokko. De Duitser die ons deze kant op zou brengen ontmoetten we na getroffen te zijn door een typisch zondagmiddaggevoel. U kent het vast wel, je kunt nergens heen want alles is gesloten, je hebt net een potje gekaart, maar dat ging vervelen en je zit een beetje op het dek een boek te lezen waarvan je toch al weet hoe het afloopt. Typisch zo'n moment waarop je besluit de rubberboot er eens bij te pakken en langs te gaan bij de andere boten die voor anker liggen. Een directe lift leverde het niet op en toen we een paar dagen later een van de bezochte stelletjes tegenkwamen bleken zij nog steeds niet te kunnen helpen, hetzelfde gold voor hun Duitse vriend die terug naar Malaga moest. Alhoewel, "Malaga kan wel wachten, willen jullie naar Marokko?" Later bleek dat zijn afspraak in Malaga wel erg onbelangrijk was toen de optie op doorreizen naar Madeira er nog bij kwam. De trip naar de Kanarische Eilanden heeft echter de vervolgoptie 'Caribisch gebied', dus wint dan toch de concurrentiestrijd.

 

  

 

 Vinger doen (9)

 

 

Zo had ik het met ongeveer voorgesteld: een jaar lang hard werken om aan eten of een overtocht te komen, vreemde dingen eten waar mijn Nederlandse maag niet voor gebouwd is, overdag met een veel te zware tas op m´n rug rondsjouwen en s´nachts niet slapen om de malariamuggen van me af te kunnen slaan.

Flink afzien dus, maar de interessante ervaringen en ontmoetingen zouden het ruimschoots de moeite waard maken. Dan de realiteit van de afgelopen week: uitslapen, heerlijke Spaanse wijnen drinken en genieten van een Oktober die warmer is dan de gemiddelde Nederlandse zomer. We hadden zelfs een eigen zeiljacht tot onze beschikking omdat kapitein Børge een week weg was. Het nadeel was echter dat de andere kant van de medaille ook gespiegeld was. Niks geen interessante ervaringen en ontmoetingen, maar dodelijke saaiheid.

 

We mochten niet te lang weg van de boot, die moesten we immers bewaken, en hetzelfde gold voor het halve dorp aan boord uitnodigen voor wilde feesten. Een stukje gaan zeilen was al helemaal uit den boze, omdat Børge, volkomen terecht overigens, bang was dat hij zijn geliefde Barbarita terug zou vinden op de bodem van de Middellandse Zee.

  

Omdat ook het dorpje hier niet zo veel vertier te bieden heeft zat er weinig anders op dan ons Spaans maar wat op te vijzelen, je weet immers nooit wanneer het van pas kan komen. Hierbij hebben we echter twee grote handicaps. De eerste is dat al onze kennis uit het boekje ´Wat & amp; Hoe in het Spaans´ komt. Tot zover geen probleem, dan volgt echter de ondertitel: ´Latijns-Amerika´. Het zal u niet verbazen dat Spanje niet in Latijns-Amerika ligt en ze hier dus bepaalde dingen net iets anders zeggen. Over het algemeen kunnen we ons hier goed mee redden, maar als we proberen te liften gaat het toch fout.

  

 

Het boekje leert ons dat je deze activiteit vertaalt als ´hacer dedo´, letterlijk ´vinger doen´. In Peru misschien een volstrekt normale uitdrukking, voor Spanjaarden lijkt het echter meer op je middelvinger opsteken of het handmatig bevredigen van een vrouw. Zo verwonderlijk was het dus niet dat de vraag ¨we doen vinger naar naar Malaga, gaat u misschien die kant op?¨ niet zo succesvol was. Gelukkig blijkt het universele ´autostop´ ook hier liften te betekenen, zoals het eigenlijk in ieder land behalve Nederland doet.

 

 

Onze tweede handicap is dat, hoewel we inmiddels volleerd zijn vragen als ´waar is de supermarkt?´ en ´is er ergens een internetcafé´, ieder antwoord bijna volledig langs ons heen gaat. Als er namelijk iets is wat we nog niet duidelijk hebben kunnen maken is het dat we graag hebben dat Spanjaarden ons zo langzaam mogelijk toespreken. Gelukkig kunnen ze door vinger te doen, dit keer in de betekenis van wijzen, ons toch duidelijk maken welke kant we op moeten.

 

 

Ook wij moeten binnenkort weer vinger gaan doen om een nieuwe bootlift te krijgen. De kapitein vertrekt over een paar dagen voor twee weken naar Cuba, dus om nog meer verveling te voorkomen gaan wij op zoek naar een ander schip. Met een beetje geluk vinden we er een met te harde bedden, lekkage, voedsel dat over datum is en een leuke bemanning, zodathet vervolg van de reis wat meer aan mijn verwachting voldoet.

 

 

  

Het Noorse zeemansbestaan (8)

 

 

"Are you an idiot?" "This fucking Spanish ripped me off!" "Lets get the fuck out of here!" "You don´t know anything! "

Aan het woord is onze nieuwe Noorse kapitein Børge, die we in één van de vele Spaanse jachthavens gevonden hebben. Een echte ruwe zeebonk die ons laat beleven hoe het zeemansbestaan er volgens hem uitziet: schelden, tieren en drinken. De eerste twee zijn nog wel te overleven, dat is alleen tegen ons gericht als we domme dingen doen tijdens het zeilen en dat komt gelukkig niet zo heel vaak voor. Bovendien heeft hij ons beloofd dat hij deze scheldpartijen twee seconden later alweer vergeten is. Van het drinken zou je verwachten dat wij het, als twee jonge jongens, wel kunnen opnemen tegen een 50-plusser, zeker als die uit een land komt waar de drankprijzen veel te hoog zijn om goed te kunnen oefenen. Dat valt echter vies tegen.

 

 

Het begint met het rituele ´ankerdrankje´. Iedere keer als een zeiltocht over is en de boot weer stil ligt moet gevierd worden dat de, tijdens het varen verboden, alcohol weer toegankelijk is. Dit weigeren is een grote belediging en aangezien ook wij van één drankje niet vies zijn is dat ook geen enkel probleem. Dat er dan tijdens het koken een fles wijn open gaat en er ook bij het begin van de maaltijd geproost moet worden op de chef kunnen we ook nog wel hebben. Daarna raken we onze kapitein echter kwijt. Terwijl de verhalen over kwaadaardige vrouwen, psychopatische bemanningsleden, hoge golven en gierige Spanjaarden over tafel rollen kunnen wij alleen maar met verbazing toekijken hoe de schuttingwoorden en de lege wijnflessen en bierblikjes hetzelfde doen.

 

 

Dat wij hier niet gewoon de grote alcoholist onder de zeilers getroffen hebben blijkt als we enkele boten bezoeken die om ons heen bij Gibraltar voor anker liggen. Overal vloeit de drank even rijkelijk. Het gevloek blijkt echter een karaktertrekje dat specifiek bij onze zeeman hoort. De anderen zijn zachtaardige mensen, met alleen één Engelsman die een uitzondering maakt voor de dief die er met zijn rubberboot vandoor is gegaan. Als iemand een vuurwapen in de aanbieding heeft houdt hij zich aanbevolen.

Ook Børge laat soms zijn andere kant zien. Het begint subtiel met de Winnie de Poeh-mok die in een van zijn kastjes staat. Later laat hij ook blijken zich grote zorgen te maken als Gudo een paar minuten langer met de rubberboot wegblijft dan gepland (¨hij zou toch niet omgeslagen zijn?¨) Als hij ons een week alleen laat met zijn boot om naar Noorwegen te vliegen komt echter de grootste schok. Bij het afscheid nemen krijgen we geen hand of een nors ¨tot volgende week¨, maar een heuse knuffel. Uiteraard wel een stoere-mannenknuffel, maar toch een moment waarop de liefdevolle man even uit de ruwe zeebonk kruipt. Het geeft ons hoop voor de komende weken waarin we met hem rond de Middellandse Zee en naar de Kanarische Eilanden zullen zeilen. Daar moeten we weer aankloppen voor een nieuwe lift bij de 300 boten die vanaf daar de oceaan gaan oversteken. Als Børge zo door blijft gaan moeten we dan wel oppassen dat we hem niet gaan missen.

 

 

Sail-training (7)

De volledige naam van het schip dat ons naar Spanje bracht is Sail-training Vessel Artemis. Dit betekent uiteraard dat de bemanning van het schip wat moet leren. Het verschil in de interpretatie hiervan door de kapitein (Rainer) en de eerste stuurman (Nico) was echter groot. Als de wacht van Gudo, onder leiding van Nico, eindigde begon de mijne. Voor mij dus het begin van weer vier uur sailtraining, voor Gudo zeker niet het einde.

 

 

Met name als het een beetje begon te regenen en het zeewater ne tiets wilder tegen de boot sloeg dan gebruikelijk was dit voor Nico een goed moment om nog eens wat dingen uit te leggen. Terwijl ik mij met de kapitein en de twee andere wachtgenoten in de comfortabele stuurhut nestelde trok Nico met zijn gevolg naar het voordek. In de barre weersomstandigheden volgde daar nog minstens een uur uitleg over touwen en brassen (de mast draaien zodat hij beter in de wind staat), het oefenen van knopen en natuurlijk overhoringen over wat de studenten eerder geleerd hadden. Erg leerzaam uiteraard, maar wel in erg schril contrast met hoe het er in mijn wacht aan toe ging.

 

 

Kapitein Rainer, berucht om zijn uitspraak “ik bras niet in de regen”, maakte er een sport van om op ieder mogelijk moment tijdens zijn wacht met andere dingen dan zeilen bezig te zijn. Als we ons om vijf uur ’s nachts afvroegen waar hij uithing was de kans dan ook groot dat hij de eetzaal aan het stofzuigen was, een brood aan het bakken was of andere bemanningsleden zocht voor een potje dart. Bevond de kapitein zich wel in de stuurhut dan kon je hem alleen storen voor noodgevallen, hij moest zich immers bezig houden met het dj-programma op zijn pc of het breken van het tetris-record. Zo kon het ook gebeuren dat wij het trainingsritueel op het voordek aanschouwden, luisterend naar de soundtrack van Pulp-Fiction en Rainers gescheld op de GameBoy. Of ik dan helemaal niets geleerd heb? Jawel, ik mocht alle knopjes indrukken waar niet ‘distress-call’ op stond ‘om te kijken wat er gebeurde en ik heb het verhaal achter de titel ‘Sail-training Vessel’ gehoord. Als je als schip passagiers aan boord hebt zijn er allerlei regels die je op moet volgen, dezelfde als die voor cruiseboten. De enige manier om hier onderuit te komen is door de overheid voor te houden dat je passagiers eigenlijk studenten zijn. Schijnbaar waren ze vergeten dat aan Nico te vertellen.

Voordat hij hierachter kwam waren we echter alweer van het schip af. Hoewl het de bedoeling was dat we mee zouden varen naar Barcelona bood Nico ons aan Spanje binnen te varen zoals de mensen dat doen die in het land willen gaan wonen. Gelijk een van de vele illegale Afrikaanse immigranten werden wij dan ook in een klein rubber bootje aan de Spaanse zuidkust afgezet. Deze klassieke manier om het land binnen te komen bood Gudo niet alleen de ontsnapping aan Nico’s strenge leer, maar gaf ons ook de mogelijkheid om twee dagen eerder en wat dichter bij de uitgang van Europa te beginnen aan onze zoektocht naar een nieuwe lift, die ons hopelijk echt de wijde wereld in kan brengen.

 

 

 

Wijze lessen (6)

 

Kijk rechts, kijk links, pas op voor oude mensen, neem een pauze, ruim je hondenpoep op, niet op het spoor lopen en pas op, stier in de wei.

Zomaar een greep uit de vele instructies waarmee het straatbeeld hier gekleurd is, de Britten zijn dus wel gewend om bevelen te krijgen. Je zou dan ook denken dat ons veelvuldig verzoek om te stoppen en ons een lift te geven overal direct ingewilligd zou worden. Dat dat niet gebeurde lag waarschijnlijk aan mensen op de radio die voortdurend het advies geven om geen lifters mee te nemen. Britten vinden lifters namelijk eng. Gelukkig zijn er genoeg mensen die zelf bepalen wat wel en niet verstandig is en is het liften over het eiland dan ook zeker niet slecht gegaan.

 

 

Dat het negeren van instructies loont geldt niet alleen voor de Britten die heel eigenzinnig ons geweldige gezelschap in de auto haalden, ook wij hebben dit ondervonden. Door ruim voorbij het bordje ´snelweg´ onze duim op te steken overtraden we de regel dat je niet op de snelweg mag liften. Het leverde ons al snel een bezoek van een politieauto op: ¨Jullie weten dat je niet mag liften op de snelweg?¨ Zo onbenullig mogelijk overkomen lijkt ons het verstandigst: ¨Staan we daar al op dan?¨ Als dat inderdaad het geval blijkt te zijn en wij onze excuses hebben aangeboden gaat het raampje weer dicht voor overleg over de boete. Zo denken wij. Na een tijdje komt een van de agenten naar buiten en vraagt ons in te stappen. Is een arrestatie dan niet wat overdreven? Dat is het inderdaad en daarom krijgen we een lift naar het dichtstbijzijnde benzinestation, dat lift immers een stuk makkelijker.

Dat het negeren van instructies loont is niet het enige wat we hier geleerd hebben. Het Verenigd Koninkrijk blijkt een uiterst leerzaam land te zijn, daarom zo vlak voor we weer de Artemis op gaan om naar Barcelona te varen een overzicht van alle wijze lessen:

- Hoe verwarrend oude tradities soms ook zijn, ze loslaten is niet per se een verbetering. Als je bijvoorbeeld als klein Walese dorp niet aan straatnamen doet, noem dan niet de enige straat die wel een naam krijgt ´Station Road´ als er in geen velden of wegen een station te bekennen is.

- 1 mijl = 1609 meter = 1760 yard = 5280 voet = 63359 inch. Alle maten worden hier gebruikt en nee, er is er geen een die ook maar iets met een andere te maken heeft.

-Of je nu uit Wales, Schotland of Ierland komt, iedereen haat Engelsen. Zelfs de Engelsen haten Engelsen, zo blijkt uit liefdevolle de reacties als we met een bordje ´Pompey´ (wat ons verteld is dat het koosnaampje voor Portsmouth is) langs de weg in Southampton staan.

- Na ons avontuur in de Baptistische kerk in Londen (zie aflevering 3) zijn we nog twee keer mensen tegen gekomen die ons tot het Christendom willen bekeren. Beide met dezelfde wijze les: ¨Als jullie ons blijven tegenkomen probeert iemand je vast iets te vertellen.¨ Helaas zijn wij, net als de meeste mannen, niet zo goed in het oppikken van subtiele hints. Dus als die iemand even hieronder een berichtje achter kan laten zal dat de communicatie een stuk eenvoudiger maken.

 

    

 

Exotisch Schotland (5)

 

   

“Ha, te laat!” roep ik triomfantelijk naar de dikke teek die over mijn been loopt, terwijl ik hem doodruk. Een paar tellen later kom ik er achter dat mijn enthousiasme iets te voorbarig was, als ik zijn 17 broers en zussen zie die zich wel op tijd door mijn huid heen geboord hebben.

  

Terwijl ik ze zorgvuldig één voor één ga uit draaien, begint Gudo naast mij te schelden op de kleine steekvlieg die het waagt door het ademgaatje zijn slaapzak binnen te dringen. Gudo heft zich hierin verscholen om zich te beschermen tegen de enorme zwerm die boven onze slaapplaats zweeft. Als dit een dure Londense hotelkamer was zouden we zeker een klacht bij de receptie indienen. We zitten echter op een bergpas in de Schotse Highlands, ver van welke hotelkamer dan ook, en dan mag je niet klagen.

   

Voor het eerst sinds twee maanden heeft het hier een paar dagen niet geregend en dat komt het indrukwekkende landschap alleen maar ten goede. Mocht u zich ooit hebben afgevraagd waar die heldere beekjes, met klaterende watervallen, omringd door kleurige bomen in tropische reisbrochures altijd vandaan komen, dan is dit uw antwoord: Schotland. Dit gebied waren wij ingetrokken om twee dagen lang te leven van de natuur. Geholpen door een survivalboek zouden we ontdekken welke blaadjes een lekkere salade maken, welke wortels de juiste voedingsstoffen bevatten en van welke paddestoelen je niet dood gaat. Klinkt leuk, maar is knap lastig als de hellingen naast de exotische oases alleen begroeid zijn met mos, heide, mos, gras en mos en de bomen in de oases alleen van die rode besjes dragen, waarvan mijn moeder altijd zei dat ik ze niet mocht eten. Gelukkig waren we niet zo naïef echt te denken dat Moeder Natuur ons iedere avond een lekkere warme maaltijd voor zou schotelen en konden we goed leven van ons meegebrachte noodvoer.

   

Twee dagen later waren we wel naïef genoeg om te denken dat de bewoonde wereld nabij was, toen nog slechts één grasveldje ons scheidde van de doorgaande weg. Als dan je enthousiasme doorbroken wordt door het besef dat het grasveld meer een moeras is *), is er aardig wat concentratie nodig om veilig aan de overkant te komen. Gelukkig wist Gudo de spanning te doorbreken met een luid “aaaah!”

   

Bezorgd om mij heen kijken kan ik niets anders zien dan veel te hoog riet en gras. De angst dat mijn reisgezel ergens daar tussen ligt te verdrinken blijkt snel ongegrond als een paar meter naast mij een gesmoorde vloek klinkt. Met de geruststellende wetenschap dat het moeras niet dodelijk is bereiken we snel de weg, waar de eerste auto gelijk voor ons stopt. Waar we heen willen? “Terug naar de beschaving alstublieft.”

   

*) Wilt u zelf deze feeërieke plaats bezoeken? Probeer dan een lift te krijgen van een Schot die zegt aan een doodlopende weg te wonen. Als u vervolgens dit pad afloopt en een vrouw tegenkomt met de vraag “weet u wel dat er daar niets meer is?”, dan zit u goed.

 

   

Schreeuwen om een ontbijt (4) 

 

 "Als je aan een reis als deze begint zal het universum naar je lachen", vertrouwt Ashley ons toe. Nou, dat blijkt. We zijn net geheel onvoorbereid in het Noord-Walese dorpje Corris aangekomen, waar de laatste lift ons bij de jeugdherberg had afgezet. Hoe toeristen eruit zien hadden we echter na een dagje Londen al ontdekt, dus we trekken het dorp in op zoek naar een slaapplaats.

 

De zin "we zijn op wereldreis en willen graag mensen leren kennen, mogen we bij je blijven slapen?" heeft vrij snel succes. Al bij huis drie worden we binnen gelaten en komen we terecht in een Zuid-Afrikaanse woongroep die haar eigen ecologische meubelwerkplaats runtn. Deze bijzonder gastvrije hippies kunnen ons niet echt helpen om de natives van Corris te leren kennen, maar als we ooit in Zuid-Afrika terecht komen weten we waar we naar toe moeten.

 

Dat ook de Engelsen weten wat gastvrijheid is hadden we een paar dagen eerder al aan den lijve ondervonden. Op weg naar het bos om daar, bij gebrek aan onderdak, een tent op te zetten, kregen we een lift aangeboden van Stacey. De eerste tien minuten van de lift speelden zich af op de parkeerplaats, terwijl Stacey geheel ongevraagd uitgebreid aan het uitleggen was welke verschillende routes we zouden kunnen kiezen om naar Stonehenge en Wales te reizen. Toen de gedachte "mens, schiet nou gewoon op en breng ons naar het bos" eindelijk aan leek te slaan werden we niet de wildernis in geleid maar ging de reis verder naar 'Pod'.

  

'Pod' (bij zijn moeder bekend als John) is een vriend van Stacey die in het dorp woont waar we eerst het raam van haar Bed & Breakfast raam te zien kregen: "als het gaat regenen of je een ontbijt wil moet je hier maar staan schreeuwen." Pod had geen grote flat waar wij in pasten, geen ruimte voor een tent tussen de auto-onderdelen in zijn tuintje, geen geld en geen stromend water. Wat hij wel had was de status van dorpslegende van Wilton en buren die net verhuisd waren en een leeg schuurtje in de tuin hadden achtergelaten; ons onderkomen voor die nacht. Nadat we de volgende dag een top-tien klassering verdienden in de meest luxe-lifts ooit, door met een gigantische stretch-limousine mee te rijden was inderdaad duidelijk: het Verenigd Koninkrijk lacht naar ons. Hopelijk komen we er snel achter of Ashley gelijk krijgt en de rest van het universum dit ook doet.

  

 

 Hel en verdoemenis (3)

 

Tijdens de tweedaagse overtocht van Delfzijl naar Southend hebben we één keer van hut moeten wisselen, moest er steeds een andere taak worden uitgevoerd tijdens de wachtdiensten en waren ook de touwen waaraan getrokken moest worden om de masten in de goede richting te krijgen steeds verschillend. Het enige wat op het wild schommelende schip wel enige houvast bood was mijn eigen kotsplekje onderaan de trap naar het achterdek.

 

Mijn voorkeur ging eerst uit naar een plekje direct naast de stuurhut, ik vond namelijk dat ik zittend al genoeg bewoog en dit was niet zo ver lopen. Stuurman Nico raadde me echter aan nog even de trap af te lopen. Daar was de railing net wat hoger en het schijnt nogal moeilijk te zijn iemand in het holst van de nacht terug te vinden als hij door de woeste golven van de Noordzee spartelt. Zeker als ze me ook nog moesten onderscheiden van de half-verteerde pasta-pesto die ik vol enthousiasme te water aan het laten was.

 

Op veel gezelschap van Gudo hoefde ik tijdens deze sessies niet te rekenen. Die voelde zich kiplekker en liep hoogstens even langs met de mededeling “ik voel me wat schommelig, ik neem nog maar eens zo’n zeeziekte pilletje.” Of ik er ook een wilde. Maar nee, dit hoorde bij het begin van mijn zeemansbestaan “het went wel” was dan ook steevast mijn reactie, “over een paar maanden kan ik iedere oceaan aan”.

 

Nadat ik halverwege de reis toch maar deze gedachte over boord had gezet, en niet veel later hetzelfde deed met het ingenomen pilletje en de nog warme vruchtenthee, ging het gelukkig toch wat beter. In ieder geval de Noordzee was overwonnen.

Om te voorkomen dat de zee ons nog terug zou kunnen pakken ging na aankomst de reis zo snel mogelijk iets meer landinwaarts, naar Londen. De vele vervloekingen van de wereld die de bootreis opgeleverd had moesten nodig gecompenseerd worden, gelukkig vonden we via de backpackers website couchsurfing onderdak bij Richard Shave. Deze stelde als enige eis dat wij onze godverlaten ziel mee zouden sleuren naar zijn Baptistische kerk voor de avonddienst op Zondag.

 

Geïntrigeerd door zijn hardnekkige geloof besloten we ook de ochtenddienst mee te maken en hebben we uiteindelijk zelfs bijna de hele dag in de kerk doorgebracht. Een heel interessante en leerzame ervaring waarbij we veel te weten zijn gekomen over het geloof van deze uitgebreide baptistische gemeensc hap in Zuid-Londen en waarbij veel gebeden is dat ook wij snel kennis zullen maken met de Heer en ‘gered’ zullen worden. Tot de grote teleurstelling van onze gastheer kwamen we echter net zo atheïstisch de kerk weer uit als we er in gingen. Dit verleidde de verder zo open en tolerante man tot de conclusie dat wij, en met ons iedereen die de baptistische boodschap niet aanhangt, gedoemd zijn tot een eeuwigheid in de net iets te warm opgestookte hel. Enerzijds natuurlijk jammer, anderzijds een geruststellende gedachte: wat voor leed en ongeluk wij tijdens onze verdere reis ook zullen tegenkomen, het zal een schijntje zijn in vergelijking met wat ons in het hiernamaals te wachten staat.

    

   

   

Geen Stroopwafels maar Kruidenbitter (2)

    

    

Als je er een sport van maakt je reis zo slecht mogelijk te plannen kun je natuurlijk niet dat ene wat je wel plant netjes gaan volgen. Vrachtschipliften vanuit IJmuiden? Nee, zo besloten wij de dag voor vertrek, zeilbootliften vanuit Delfzijl is een veel mooier begin. De haven ligt hier nu vol zeilschepen voor de DelfSail. Een kans die we niet mogen missen dus, vrachtschepen zijn immers overal.

 

Een korte schets van hoe het vragen om een lift in zijn werk gaat: we betreden de Braziliaanse drie-master Cisne Branco en spreken het eerste-de-beste geüniformeerde bemanningslid aan: "Hello, do you speak English?" "No, Espanol", is het antwoord. Gesterkt door ons boekje Hoe & Wat in het Spaans-Latijns Amerikaans zetten we door: "Adonde ba?" vragen we netjes volgens de fonetisch opgeschreven vertaling. Het werkt, ze blijken naar Noorwegen te gaan. Een mooie bestemming denken wij, maar bij de vraag of me zo veer mogelijk mogen meerijden loopt het vast. En ook met het prevelen van 'monde' en het Spaanse woord voor liften krijgen we niet duidelijk wat ons doel is. Gelukkig weet zijn college ons in gebroken Engels uit te leggen dat we op een marineschip zitten. Tenzij we bereid zijn ons leven te geven voor de Braziliaanse vlag kunnen we niet mee. De buren en enkele andere boten schijnen echter wel eens mensen mee te nemen, dus vol goede moed gaan we verder.

 

Een paar uur en zo'n 25 boten later is deze moed echter alleen nog in onze schoenen te vinden. Maar opgebloeid door onze succesvolle imitatie van Eddy Zoey's Nu we er toch zijn hebben we die avond meer succes. Na een heerlijke maaltijd opgediend door een gastvrij gezinnetje uit Fransum komen we in het goede deel van de haven terecht. Voor we het weten hebben we vier (bijna) aanbiedingen op zak: Kiel, Hamburg, South End en de Kanarische Eilanden. De laatstgenoemde droomlift gaat helaas niet door, maar op de drie-master Artemis uit Franeker (hoewel we de enige Nederlanders aan boord zijn) zijn we van harte welkom om het schip naar het Engelse South End te helpen.

 

Zo begint op woensdagochtend dus officieel het grote zee-avontuur. Stroopwafels eten met een Mexicaanse kapitein zit er helaas niet in, maar een authentiek Delfzijlse kruidenbitter voor zijn Duitse college komt genoeg in de buurt om van een succesvolle start van de wereldreis te spreken. Nu hopen dat we niet zeeziek worden.

 

 

 

Vrachtschip liftend de wereld rond (1)

 

Ooit het dek geschrobd van een 500 meter lange olietanker, overnacht bij een inheemse Peruaanse bergstam of met niets anders dan je tandenborstel en een survivalhandboek door een oerwoud getrokken? Ik ook niet, maar met een beetje geluk zal ik het komend jaar allemaal meemaken. Meeliftend met vrachtschepen en slapend bij iedereen die ons in huis wil hebben ga ik, samen met reisgenoot Gudo, de wereld rondtrekken. Wat we allemaal gaan doen is nog onbekend en waar we zullen komen is afhankelijk van het lot, wat wel zeker is is dat ik jullie via deze column op de hoogte ga houden van onze belevenissen.

 

Op 24 augustus zal de eerste etappe gaan van Nijmegen naar de sluis van IJmuiden. Het verslag daarvan zal natuurlijk hier te lezen zijn, daarnaast heeft ook Omroep Gelderland lucht gekregen van onze onderneming en zullen ze de eerste dag met ons meereizen.

 

De vraag die de verslaggeefster van de omroep mij bij het eerste telefoongesprek stelde is misschien wel typerend voor wat jullie als lezers nu denken: “Meeliften met vrachtschepen? Is dit een grap of zijn jullie écht zo naïef?” Een terechte vraag, want voor zover mij bekend is dit nog nooit eerder gedaan. Het zou dan logisch zijn om al maanden van te voren rederijen af te bellen en de juiste papieren te regelen om zeker te zijn van een eerste lift. De aanpak die wij gekozen hebben is echter om bij de sluis te gaan staan en onze diensten aan te bieden aan nietsvermoedende voorbijvaarders. Het kan dus ook zomaar gebeuren dat we na twee weken gewoon weer over land IJmuiden verlaten, gedesillusioneerd en geschokt door de wreedheid waarmee de zeevaartwereld onze (naïeve) droom in duigen heeft laten vallen.

Wat wel al eerder gedaan is, is liften op de binnenvaart. Redacteurs van het Nijmeegs studentenblad ANS zijn laatst in twee dagen van Nijmegen naar Antwerpen gelift. Hoewel de binnenvaart iets toegankelijker is, biedt dit toch weer wat vertrouwen dat ons gebrek aan voorbereiding en onze voorliefde voor bijna kansloze projecten beloond gaat worden. Ik hoop dan ook mijn vo lgende column te kunnen presenteren onder de kop ‘Stroopwafels eten met Mexicaanse kapitein’ of ‘Carrière als landrot beëindigd’.

 

© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.

 
Reacties
laatste eerstSorteer reacties
Haa je werkt!
Hier wordt ook hard gewerkt. Volgende week dinsdag bv. Dan ontvangen de jongerenwerkers in Deventer een delegatie uit Moldavië.
Nu ze daar een goed draaiende studentenvakbond hebben zijn ze toe aan jongerenwerk. En vanuit Deventer worden ze daarbij geholpen.
Ik mag ook meedoen: dinsdagmorgen de stoelen in de zaal klaarzetten.

O ja, er zijn ook een paar studenten bij: zal ik je naam nog laten vallen?
Fenna - 16-04-2010 | 14:51
De ´tigres´ waarvoor ik gewaarschuwd werd betekent toch echt tijgers... Maar een vlugge blik op wikipedia leert me inderdaad dat die kans vrij klein is. Waarschijnlijk bedoelden ze jaguars, maar ook die kom ik liever niet ´s nachts in een donker steegje tegen (noch in de jungle).
David - 03-03-2010 | 18:28
Tijgers?????
In Zuid-Amerika????
Uit de dierentuin ontsnapt zeker. Of heb je soms een vertaalfout gemaakt?
Fenna - 01-03-2010 | 21:17
Wat een schitterend verhaal weer!
Jammer genoeg gaan de functionarissen in Nederland veel krampachtiger om met verwarde reizigers. Hier leggen ze gewoon het hele treinverkeer rondom den Bosch een halve dag plat.
Fenna - 20-02-2010 | 16:24
Wellicht tijd om terug te keren naar Nederland. Het aantal klachten wordt er niet minder op =).

Safe travels!
Roald - 11-01-2010 | 01:01

Reageren

blij blozend boos cool verrast droevig egaal gemeen huilend vertwijfeld knipoog lachen rollendeogen tongeruit wijdogig

Reacties van bezoekers op artikelen op deze site zijn meer dan welkom.

Echter: reacties die kwetsend, onnodig grof of beledigend zijn worden niet

geplaatst.

Klik voor de uitgebreide versie van de spelregels



Nijmegen is volgezet met nieuwe parkeerautomaten. Ook het parkeerregime is veranderd. Wat is uw mening?



Redactie Nijmegen
Winselingseweg 10, Postbus 36, 6500 DA Nijmegen
Telefoon: 024-3650505
E-mail: redactie.nijmegen@gelderlander.nl
Fax: 024-3650499

Jaap van Essen, chef
Vincent Ceulemans, plaatsvervangend chef

Eindredactie
Telefoon:
024-3650568
Bettie Arends, Jan-Peter Sengers

Internet
Laura Speelziek en Marijn Flipse

Redactie Stad
Harm Graat (teamleider) Jaap Bak, Jacqueline van Ginneken, Jasper van Gruijthuijsen, Frank Hermans, Rob Jaspers, Wim van de Louw, John van Oppen, Ronald Wiegerinck en Francine Wildenborg

Redactie Rijk van Nijmegen
Geert Willems (teamleider), Hans Peeters, Roeland Segeren en Bram van Zundert

Redactie Maas en Waal en Wijchen-Beuningen
Jacqueline de Bekker ( teamleider), Peter Deurloo, Geert Geenen, Bianca Govers, Bas van der Hoeven, Menno Pols, Leo Klaassen en Hai Voeten

Redactie Maasland
Eric Reijnen Rutten (teamleider), Geurt Franzen, Dennis Greijn, Joost Ariaans, Henk Baltussen en Frank Houtappels.

Redactie Sport
Lex Lammers (teamleider), Danny van den Broek, Walter Nieuwkamp, Kosse Stegman en Herman Wissink
Email: redactie.sport@gelderlander.nl

Adverteren
Savas Atila, accountmanager
Telefoon: 08801-32167
Eelco Postma, accountmanager
Telefoon: 08801-32170
Email: advertenties.nijmegen@gelderlander.nl