Volledig scherm
Wintersoord, 19 september 1944. © DG

Dagboeken uit frontstad Nijmegen: ‘Een stinkende lamp, twee kelders vol mensen’

Ooggetuige van de oorlogDe Britse grondtroepen arriveren aan het begin van de middag bij Sionshof. Een gezamenlijke aanval van Amerikanen en Britten wordt ingezet om de bruggen in te nemen. De Duitsers steken nog meer huizen in brand en weten de geallieerden af te slaan. In de stad vinden apocalyptische scènes plaats. 

De Nijmeegse historicus Joost Rosendaal bestudeerde tientallen dagboeken van gewone Nijmegenaren die zij bijhielden in de periode dat Nijmegen frontstad was (september ’44 - mei ’45). In een wekelijkse serie (tussen 16 en 22 september dagelijks) herbeleven we deze dramatische oorlogsmaanden, precies 75 jaar later. Lees hier de andere verhalen.

Josepha Geeve (39) van de Zusters van Bethlehem aan de St. Anthoniusplaats geeft een levendig verslag van de duistere sfeer in de stad:

‘Wintersoord brandt. Het flatgebouw staat er nog. De Oude Stadsgracht, Mariënburgplein en Hertogstraat kan ik niet langs. Op alle hoeken van de straten staan Duitsers. Bij de mitrailleursnesten liggen er enkele doodleuk te slapen, zo maar op de straat. Anderen zijn wat eten aan het klaarmaken, gestolen uit de winkels waar de ruiten van ingeslagen zijn. Verder geen levend wezen op straat. Alles maakt een griezelige indruk. De Twentse Bank staat nog niet lang in brand. De vlammen laaien hoog op.’

Op verzoek van verbandmeester Fritz gaat gaat Josepha met collega-zuster Cecilia in de schuilkelder van wijnhandel Broekkamp aan de slag als verpleegster voor Duitse gewonden: 

‘Wij moeten, bij gebrek aan iets anders, zitten op de rand van het bed waar de gewonde op ligt. Een stinkende lamp, twee kelders vol mensen in alle mogelijke houdingen, een vrouw die ieder ogenblik een baby kan verwachten, werkelijk, als ik er nog over denk, komen de taferelen een voor een mij weer voor de geest. Afschuwelijk om weer te geven. Als wij een poosje met onze drie gewonden hebben omgetobd en wat pijnstillende tabletjes en slaapmiddeltjes hebben gegeven, horen wij buiten een zwaar getrappel dat de schuilkelder nadert. Een groep soldaten met een brancard op de schouder komen binnen. Het lijkt wel iets van een toneelstuk. Zwaar gekletter van wapens en uitrustingen.

De moedeloze kerels gaan geregeld uit de wijnkelder van Broekkamp flessen halen, zetten de fles aan de mond en drinken ze in één teug leeg. Niet één, maar wel tien of twaalf. Zij vertellen ons wel het een en ander, maar hoe het er werkelijk voorstaat komen we te weten uit de gesprekken die ze fluisterend met elkaar voeren.

Enkele van de in de kelder aanwezige meisjes kruipen bij de van drank en zweet stinkende kerels op schoot en liggen, niet overdreven, in hun armen en vegen hun bezweten gezichten af. En als maar dat gedreun van kanonnen en mitrailleurs.

Weer aanvoer van gewonden en een andere groep soldaten. Hier is er een bij met wien we een heel behoorlijk gesprek kunnen voeren. Werkelijk, een hele geschikte kerel. Even later, o illusie, gaat ook hij, verleid door de smachtende blikken van onze Hollandse meisjes, dezelfde weg en hij schijnt zich niet eens voor ons te generen.’

Later in de nacht daalt de stemming verder:

‘De Duitsers leggen hun gewonden neer en zonder dat zij zelfs er even naar kijken, worden zij allen zo aan hun lot overgelaten. Zij gaan in een wat meer afgelegen hoek staan smoezen. Afgeleid door de zorg voor de gewonden, kunnen wij het niet helemaal meer volgen. Toch merken wij wel dat er voor hen niet iets in orde is. Als Fritz even naar zijn patiënten komt kijken, vraag ik wat er toch is. Anders altijd vriendelijk, zegt hij nu kortaf: ‘Niets!’ Wij merken echter goed dat de bliksem ingeslagen is.’

De Gelderlander gebruikt je persoonsgegevens om deze reactie te kunnen plaatsen. Meer informatie vind je in ons privacy statement. Reacties van mensen die de nickname anonymous, anoniem of een variant daarop voeren, worden niet geplaatst.

In samenwerking met indebuurt Nijmegen

Nijmegen e.o.