De omkering

Ooit vierden wij mensen op de dag van vandaag de omkering van alles: de samenleving, de verhoudingen, de hiërarchie, de zeden, het fatsoen, het gezag. Voor het begin van de grote vasten mochten wij onszelf even het binnenste buiten keren om dit tranendal draaglijk te houden. Dit was de dag van het carnaval.

We gaven ons over aan een vrolijke uitspatting, een drinkgelag, een vreetfestijn en verder aan alles dat God verboden had, maar wat Hij één keer per jaar oogluikend toestond. De bisschop werd misdienaar, de misdienaar bisschop. De magistraat gaf de sleutels van zijn stad in handen van een nar. De non verkleedde zich als deerne en de deerne als non. De burgerman ontdeed zich even van zijn goed fatsoen. De notabele van zijn eer. De edelman van zijn privileges. De autoriteit van zijn gezag. De kwezel van zijn 1.000 angsten voor de hel.

Die omkering was het wezen van het carnaval en was er de diepere zin van. Want wie niet zondigt, kan geen boete doen. Wie niet drinkt, weet niet wat nuchter is. Wie niet uit zijn bol gaat, kan nooit oppassend en netjes zijn. En wie de regels niet aan zijn laars lapt, heeft geen idee van wet en recht. Zelfs de waarheid was voor een dag gelogen. En al het heilige was aardser dan ooit.

Daarom stapten we daags voor aswoensdag verkleed en gemaskerd in het narrenschip en voeren zingend naar de hel die een dag later toch weer de hemel bleek te zijn. Oude knarren kusten jonge meiden. En bejaarde wijfjes omhelsden voor de laatste keer een jonge vent. De volgende dag was alles vergeten en vergeven.

Als dat niet zo zou zijn geweest, zou carnaval als één grote zondeval, als een duivels verzinsel zijn beschouwd. Maar het carnaval was juist een zuivering, een daad van menselijke vrijheid en een geloofsbelijdenis tegelijk. Totdat het Concilie van Trente korte metten maakte met wat opeens een primitieve, volkse orgie heette te zijn. En vervolgens kwamen de calvinisten die het feest verpletterden onder hun bijbels, psalmen en donderpreken. Wat er nu nog van over is, is een armzalig restant, een leeg overblijfsel, een holle naklank, een weggestorven echo.

Carnaval was ooit het ongeremde en mateloze feest waarmee we onze sterfelijkheid omkeerden. Voor één dag! Maar 's anderdaags wisten we alweer zeker dat we tot stof en as zouden wederkeren. Voor alle eeuwigheid!

  1. Zegeningen
    PREMIUM
    Column

    Zegeningen

    Volgens de oude, grimmige, dwarse, nurkse, sarcastische, maar ook wijze Arthur Schopenhauer (1788-1860) zijn jeugd, gezondheid en vrijheid de drie zegeningen van het leven. Maar hij vond dat we ons pas van die zegeningen bewust worden als we ze niet meer hebben. 'Ons bestaan is op die momenten het gelukkigst als we er het minst van merken', schrijft hij. Want als je gezond bent, sla je er geen acht op. Als je jong bent heb je het niet in de gaten. En als je vrij bent heb je er geen weet van.

Columns