Buitengebied van Oss bij de Keltenweg in 1970 vóór de komst van de grote dozen.
Volledig scherm
Buitengebied van Oss bij de Keltenweg in 1970 vóór de komst van de grote dozen. © Paul van der Werff/collectie Stadsarchief

Het Osse landschap is nog niet ‘verrommeld’ met dozen

Stille getuigeOSS - Oss heeft de boot weer eens gemist. Er zijn onlangs zes Brabantse gemeenten genoemd met een door XXL-distributiedozen verrommeld landschap en Oss was er niet bij. En dat terwijl het zo zijn best heeft gedaan om op de meest historische plek van de gemeente, bovenop op het Vorstengraf, een dozenparadijs van heb ik u daar in te richten. Maar die voorname Ossenaar uit de IJzertijd heeft daar in het welstandsvrije gebied gelukkig nog wel een monumentje dat herinnert aan zijn laatste rustplaats.

Los van die doosachtige bedrijfsgebouwen is de kou voor het buitengebied nog lang niet uit de lucht. Eerder deze maand werd bekend dat de plaatselijke overheden een potje maken van het aan hen gedelegeerde beleid voor ruimtelijke ordening. Onder meer met een ‘verrommeling van het landschap’. Namen werden niet genoemd, dus officieel is Oss er niet bij. Maar dat kan nog komen want het buitengebied ten noorden van Oss lijkt rijp voor windmolens en zonnepanelen. Nuttig maar niet mooi, vinden veel mensen.

Niet zo veel om te verknoeien

Van oudsher had Oss niet zoveel buitengebied om te verknoeien. De Osse hei, maar die was in de jaren 30 juist ontgonnen (naaldbos). En aan de noordkant bezat de gemeente nauwelijks grond. Daar was de Beerse Maas de baas. Toen die bedwongen was, werd het oude stroomgebied boerenland. Veel later, in 1996, kwam iemand met het plan dat allemaal op te doeken en het gebied in te richten voor mensen en bedrijven in plaats van voor koeien en gewassen. De boeren moesten vertrekken. Deze deskundige, de Amsterdamse professor P. Kohnstamm, hoogleraar in beleggings- en vastgoedkunde, was zijn tijd ver vooruit, kun je zeggen.

Een eminente voorganger uit Utrecht, prof. Van Vuuren, wilde boeren juist de ruimte geven. Maar dat was in andere tijden. Hij schreef in 1936 voor de Bossche Kamer van Koophandel een rapport over de ontwikkeling van het Maaskantgebied na het voltooien van de Maaskanalisatie en het dichten van de Beerse Overlaat.

Ellendige omstandigheden boeren verbeteren

Beide hoogleraren hadden de economische vooruitgang van het gebied voor ogen, Van Vuuren wilde daarnaast vooral de ellendige omstandigheden van de (kleine) boeren verbeteren. De situatie van de boeren was ‘erbarmelijk’ en veel boerenzonen hadden geen zin meer het bedrijf van hun (voor)ouders voort te zetten. 

Het gebied telde voornamelijk pachtboeren met betalingsachterstanden. Het beheer van het gebied werd bovendien bemoeilijkt door de aanwezigheid van maar liefst 34 waterschappen. Het streven was van de arme Maaskant ‘een landschap van bloeiende akker- en tuinbouw’ te maken, met het industriële Oss als aanjager van de vernieuwing.

Ruilverkaveling zou op bezwaren stuiten

De infrastructuur moest verbeterd worden en er moest ruilverkaveling plaatsvinden. Die zou later op boerenbezwaren stuiten. Bezwaren klonken ook als Oss te veel buitengebied ‘inpikte’, zoals voor het aanleggen van de haven richting Megen. Tegen de voorgenomen locatie kwam in 1955 de ruilverkavelingscommissie Megen in opstand.

De huidige verdozing van het landschap lijkt een groter probleem. Wat dat betreft heeft Oss nog volop de kans om in de top-zes te komen.