Volledig scherm
Egon van Kessel ambieert nu het leraarschap. "Wielrennen lijkt op de normale maatschappij en is ook niet altijd even eerlijk." foto Ad van Hasselt

Egon van Kessel ziet niet om in wrok

KERKDRIEL - Bijna drie maanden na zijn afscheid bij de Koninklijke Nederlandsche Wielren Unie noemt voormalig bondscoach Egon van Kessel zichzelf nog steeds ’een echte KNWU-man, in hart en nieren’.

„Daarom vind ik het jammer dat onze wegen zich hebben gescheiden. Nee, pijn doet het niet meer. Ik ben realist, ik kan het goed begrijpen dat ze een keer iemand anders wilden.”

De Brabander hoorde begin november dat zijn contract niet werd verlengd. Hij wist dat zijn periode bij de profs eindig was, de mededeling dat hij ook als ’talentencoach’ geen contractverlenging kreeg, kwam als een grotere verrassing. „Daar had ik graag mee doorgewild. We hadden verschillen van inzicht, toch had de breuk niet gehoeven volgens mij. Maar daar wil ik niet te diep op ingaan.”

Het is echter geen geheim dat Van Kessel geen voorstander is van het ’liberale denken van de KNWU’ met betrekking tot de opleiding van junioren en beloften. „De bond moet daar zelf de leiding in nemen en dat niet alleen aan de markt overlaten, met momenteel één heel sterke en dominante partij. Rabobank kan er niks aan doen, want dat is een geweldige sponsor die niet om die dominantie heeft gevraagd. Mede door de passieve houding van de KNWU is dat zo ontstaan, dus de situatie baart me zorgen. Door de zeer professionele opleiding op jonge leeftijd worden er verwachtingen gewekt die later heel moeilijk waar te maken zijn, omdat de concurrenten hun achterstand op een gegeven moment inhalen. Dan moet je daarmee om zien te gaan.”

Van Kessel pleit ook voor een opwaardering van de eendagskoers. „Daar kunnen we meer uit halen, dat onderdeel is ondergesneeuwd. Jonge talenten hebben het meeste baat bij een opleiding die niet overgeprofessionaliseerd is, maar sober van aard. Ik durf te stellen dat we meer talent hebben dan de Belgen, maar zij rijden op jonge leeftijd tíg eendaagse wedstrijden, terwijl de Nederlandse jongens gigantisch veel etappewedstrijden doen. Dan gaat de scherpte eraf, want een rittenkoers gaat om een berg- en een tijdrit. Dat is een heel andere manier van koersen. De Ronde van Vlaanderen, Parijs - Roubaix, dat is 250 kilometer knokken voor je positie. De Belgische renners zijn daarin veel meer opgeleid, vooral in hun tijd bij de beloften.”

Hij zou het ook veel beter vinden als de talenten verdeeld zouden zijn over drie à vier ploegen. „Er moet strijd zijn en dat ontbreekt nu doordat er een grote opleidingsploeg is. Concurrentie in eigen land genereert meer mogelijkheden voor de talenten. Je hebt nationaal een sterke competitie nodig. Die is er al jaren niet meer.”

Ruim zeven jaar geleden begon hij namens de KNWU met het kneden van talent. Opnieuw, want hij deed dat eerder van 1989 tot en met 1994. Tijdens zijn laatste maand als bondscoach waren er al signalen dat de KNWU niet met hem door zou gaan. Van Kessel verklaarde toen geen sportieve aanleiding te zien om van hem af te willen.

„In zeven jaar hebben we in totaal vijftien WK-medailles en één olympische medaille behaald, dat kun je toch moeilijk slecht noemen. En ik heb er beleidsbeslissingen doorheen gekregen die kansen voor jonge renners buiten het Rabo-model hebben vergroot. Sinds 2002-2003 hebben we een internationaal programma mogelijk gemaakt voor junioren en beloften. Daar plukken we nu de vruchten van, Robert Gesink bijvoorbeeld, en Sébastian Langeveld, Niki Terpstra, Martijn Maaskant. Zij kregen mogelijkheden door de goede opleiding van hun ploegen en de KNWU. Die hebben ze met beide handen aangegrepen.”

In 2005 volgde hij ook de overleden Gerrie Knetemann op bij de ’grote jongens’. „Dat was relatief een marginale functie, dat nam nog geen tien procent van mijn tijd in beslag. Maar op de prestaties van de profs word je afgerekend, hoewel je ook maar weinig invloed hebt door de beperkte financiële mogelijkheden en het programma dat de renners met hun ploeg bepalen.”

Van Kessel denkt dat hij het optimale uit de vier prof-WK’s gehaald heeft, ondanks dat hij enkel een bronzen medaille (tijdrit Stef Clement, in 2007) kan overleggen. „Ik kreeg vaak te maken met renners die niet goed voorbereid waren op het WK en de realiteit was dat er onvoldoende toppers waren. De Italianen laten zien hoe het moet. Een heel specifieke voorbereiding met de hele groep. Ik heb die werkwijze geprobeerd, maar dat lukte alleen individueel, met Stef Clement en Robert Gesink. Ik snap niet waarom het WK zo’n lage prioriteit heeft gehad bij Rabobank en enkele andere ploegen.”

Toch werden die kille cijfers een stok om mee te slaan, ook door mensen uit het wereldje. Opmerkingen van Rabobank-ploegleider Erik Dekker schoten in het verkeerde keelgat. „Hij zei dat een bondscoach zelf ook op het hoogste niveau gepresteerd moet hebben. Nou, er komt veel meer bij deze baan kijken: visie, beleid, lef en bereidheid om als het nodig is de confrontatie met een renner aan te gaan als deze niet brengt wat je van hem mag verwachten. En hij mag mij dan ook uitleggen waarom zijn Nederlandse renners de laatste twee jaar geen enkele rit hebben gewonnen in een grote ronde of op het podium hebben gestaan van een klassieker. Een WK-medaille pakken is nog veel moeilijker.”

Van Kessel was/is één van de weinige ploegleiders zonder rijke profloopbaan. Voor anderen is die carrière vaak al genoeg om teambaas te worden, tot zijn ontsteltenis. „Als je een aardige kerel bent, of een goede maat, dan kom je binnen. Dat zorgt ook mede voor de problemen waarmee de sport te kampen heeft. Er wordt niet naar competenties gekeken. Ik ken geen enkele sport waarbij je op het hoogste niveau coach kunt zijn zonder diploma’s. Vandaag ben je renner en morgen ploegleider van een grote profploeg. Ik vind dat je wel uit de sport moet komen, maar je hoeft geen topper geweest te zijn. Als je dat niet bent geweest, moet je wel constant knokken om zaken geregeld te krijgen, zo heb ik ervaren, bij de omgeving van de renners dan.”

Vroeg in het seizoen 2008 werd hij nog door twee ploegen benaderd voor een functie, maar die sloeg hij af. „Omdat mijn hart bij de opleiding en de KNWU ligt. Het enige wat ik de unie kwalijk neem is dat ik en mijn vier collega’s de boodschap pas zo laat te horen hebben gekregen, terwijl de baantjes in de zomer worden verdeeld. Ik wist direct dat het moeilijk zou worden om voor dit jaar iets te vinden. Maar het is ook niet mijn primaire ambitie om terug te keren op het allerhoogste niveau. Ik zou graag weer jonge renners en rensters gaan begeleiden.”

Een rol bij de Rabobank Wielerploegen, zou dat niet wat voor hem zijn dan? „Het is vaak door anderen gesuggereerd, maar daar heb ik nooit in geloofd. Mijn persoonlijkheid past niet in die cultuur. Waarom dat is, mogen jullie zelf bedenken.”

Van Kessel is bezig om iets op te zetten voor jonge Brabantse coureurs, maar daar kan hij nog niet veel over zeggen. „Het is allemaal nog heel prematuur.” Het leraarschap dat hij al jaren ambieert, komt eveneens dichterbij. Het eerste gesprek voor een eventuele omscholing tot docent geschiedenis of maatschappijleer staat al gepland. „Als er één sport op de normale maatschappij lijkt, dan is het wielrennen wel. Dat is bijvoorbeeld ook niet altijd even eerlijk.”

Het motiveren van jongeren, het zit blijkbaar in Van Kessels bloed. „Ik ben erin gerold toen ik als juniorencoach begon. Het mooie van met jongeren werken is dat je op een heel eenvoudige manier mensen zo kunt beïnvloeden dat ze het maximale eruit halen, ongeacht hun kwaliteiten.”

Veelzeggend is dat de wereldtitel van Marianne Vos bij de junioren in 2004 hem meer deed dan de olympische titel van Leontien van Moorsel. „Ik heb daarvoor een prachtig horloge van Leontien gekregen. Én een golden coach award, omdat ik op facilitair gebied een situatie had gecreëerd waarin ze optimaal kon renderen. Maar toen Vosje wereldkampioen werd en drie andere meiden ook in de top tien eindigden, was mijn rol belangrijker: training, tactiek. Dan heb je meer voldoening.”

De KNWU doet binnenkort uit de doeken wie de opvolgers worden van Van Kessel, want zijn functie wordt in tweeën gesplitst. „Maar ik ben niet bezig met namen, ik ben wel benieuwd naar het nieuwe beleidsplan. En daar zal ik kritisch naar kijken, niet omdat we ruzie hebben of omdat ik rancuneus ben, want dat is allebei niet het geval, maar omdat ik nog steeds een KNWU-man ben.”

De Gelderlander gebruikt je persoonsgegevens om deze reactie te kunnen plaatsen. Meer informatie vind je in ons privacy statement. Reacties van mensen die de nickname anonymous, anoniem of een variant daarop voeren, worden niet geplaatst.