Volledig scherm
© DG

'Het stayeren heeft zichzelf vermoord'

TIEL - Bert Romijn uit Tiel was in de jaren zestig een wereldtopper achter de grote motoren. Een sport die ooit het hoofdgerecht vormde bij het baanwielrennen, maar inmiddels nog slechts een marginale rol vervult.

Hij spreekt namens een uitstervend ras. Bert Romijn, 74 jaar inmiddels, behoorde in de jaren zestig tot de absolute wereldtop der stayers. Vier keer werd hij vierde, één keer tweede op een wereldkampioenschap. Romijn was een echte stayer, zoals ze tegenwoordig niet meer worden geboren.

"Specialist achter grote motoren, dat was ik. Op de grote versnelling, aan de rol achter zo'n gangmaker. En dan bedoel ik echte grote motoren. Met cilinderinhouden van 1600 tot zelfs 2400cc, niet die kinderachtige 700cc motorfietsen die ze tegenwoordig gebruiken."

Romijn haalt talloze foto's en artikelen uit zijn archief en legt ze met een breed gebaar op tafel. "Le Monde, L'Equipe, alle grote Nederlandse en Duitse kranten. Toen stelde stayeren nog wat voor, smulde het publiek", wijst hij op de schreeuwende krantenkoppen.

In zijn tijd trokken Romijn en zijn kompanen letterlijk volle zalen. "Vijftigduizend man. In een vol stadion in Amsterdam, als wij met acht man rondjes reden. Je moet je voorstellen: 's avonds laat, pikdonker. Dan komen wij op onze fietsen de baan op, en draaien ook de motoren op de piste. Donderend geweld, zonder knalpotten. Vlammen uit de uitlaten, wij daarachter op onze baanfietsen. De mensen vergaapten zich aan het spektakel."

In zijn ogen lijken die vlammen te herleven als hij verhaalt over zijn ervaringen en belevenissen. Even snel doven de vuurtjes als hij hoofdschuddend de teloorgang van het stayeren beschrijft. "Weet je, de stayersport heeft zichzelf kapot gemaakt. Je kunt het publiek niet blijven bedriegen. Te veel combines, afspraken, verkochte wedstrijden. Daar hebben wij allemaal aan meegedaan, al die grote jongens uit die jaren. Op een gegeven moment is het niet geloofwaardig meer en blijven de mensen weg. En tegenwoordig is het al helemaal niet meer spectaculair, de motoren zijn kleiner qua vermogen en elkaar aanvallen doen de renners ook niet meer. Positiewisselingen zie je bijna alleen als iemand terugvalt, doodsaai."

Die aanvallen en het opvangen daarvan waren voor Romijn destijds de krenten in de pap. " Ha, dat hoorde je. Dat voelde je. Als achter je het toerental van een motor werd opgevoerd, dan kwam er zo'n koppel aan. Dan spande je al je spieren, vloeide de adrenaline omdat je wist dat ze gingen aanvallen."

In dat spel speelde ook de wisselwerking tussen gangmaker en stayer een grote rol. "Een goede gangmaker zoals Bruno Walrave, waarachter ik in 1966 vice-wereldkampioen werd en die nota bene nog steeds actief is, die voelde of je kon versnellen of niet. Communicatie was beperkt. Je schreeuwde 'Allez' als je wilde versnellen en 'Ho' als de gaskraan iets dicht moest. Geloof me, ik heb vaker 'Ho' geroepen dan 'Allez'. Hoewel hij toegeeft zelf ook niet 'brandschoon' te zijn als het om combines en afspraken gaat, reed Romijn met de regelmaat van de klok dwars door allerlei gemaakte afspraken heen. Glunderend: "Zo hadden we, op de Amsterdamse baan, de revanche van het WK in 1961. Vlak daarvoor was Leen van der Meulen wereldkampioen bij de amateurs geworden in Zürich, ik werd vierde. Van der Meulen had een rijke vader, die veel voor hem regelde. In Amsterdam moest hij ook winnen, maar daar had ik toen even geen zin aan. Pa Van der Meulen hing, al zwaaiend naar me met bankbiljetten, over de balustrade. Maar ik liet z'n zoon er mooi niet langs."

Het tekent de instelling van Romijn, die wel een buitenbeentje was in de stayerswereld. Bovendien was er altijd wel eentje die nèt iets beter was dan de Hagenaar ('Schilderswijk, ik ben een echte Hagenees') van geboorte. "Tja, er was er inderdaad altijd wel één die me de baas was op de beslissende momenten. Arie van Houwelingen, Leen van der Meulen, Matthé Pronk, Piet de Wit, Jaap Oudkerk, Gaby Minneboo, noem maar op. Daarom ben ik ook nooit beroepsrenner geworden. Dat zat er gewoon net niet in."

Toch reisde Van der Meulen als 'amateur' Europa door, in zijn drang naar avontuur en internationale erkenning. " Achteraf vraag je jezelf best eens af of het allemaal wel normaal was wat je toen deed. Ik reed ooit met mijn DAF-je op kerstavond weg van huis. Dwars door sneeuwstormen, naar een of andere vage hal in Oost-Duitsland. Om daar dan op eerste kerstdag een avond te koersen voor een uitzinnig publiek, een dag later was ik weer thuis. Daar werd je niet bepaald rijk van, maar het was wel een prachtavontuur. Waarom? Omdat ik de drang had mezelf te bewijzen, het duel met mezelf aan wilde gaan."

Dat de baansport de laatste jaren opleeft doet Romijn deugd, al blijft de teloorgang van het stayeren hem zeer doen. "Ooit waren wij de publiekstrekkers. Samen met een handjevol sprinters en een paar achtervolgers. Ook een discipline waarin Nederland het vroeger erg goed deed. Dat Peter Pieters het baanwielrennen in Nederland uit het slop heeft getrokken is bewonderenswaardig. Een man met visie, en vroeger bovendien zeker geen slechte coureur. Hij heeft vooral het sprinten weer hot gemaakt. Maar dat de bond hem nu zo maar aan de dijk zet is ronduit schandalig. Voor iemand met zijn kwaliteiten en knowhow moeten ze gewoon een plaats inruimen."

Al te rooskleurig ziet Romijn, die door de KNWU wegens zijn verdiensten voor de wielersport werd onderscheiden met het Gouden Wiel en bovendien werd benoemd als Ridder in de Orde van Oranje Nassau, de toekomst voor de Nederlandse baansport niet.

"Als ze wat willen moeten er in Nederland op verschillende plaatsen wielerbanen komen. In een soort stervorm. Dus het hart in Midden Nederland, maar ook banen in Friesland, Zeeland en Limburg. Zodat uit alle provincies en regio's de talenten tot volledige ontplooiing kunnen komen. Voor de stayersport komt zelfs dat te laat. Die baandiscipline heeft zichzelf al lang geleden vermoord."