Volledig scherm
Wessel Penning © AD Sportwereld

'Pas de volgende ochtend had ik mijn gezichtsvermogen terug'

Wessel Penning, chef van AD Sportwereld, was in 1997 een van de deelnemers. Na een loodzware dag bereikte hij Leeuwarden. Zijn verhaal van 4 januari 1997.

Het is gelukt! Om tien over half twaalf zaterdagavond rijd ik de Bonkevaart op. Even later raken mijn schaatsen na een zware strijd de eindstreep van de 15de Friese Elfstedentocht. Amper twintig voor sluitingstijd vechtend tegen een tijdelijke blindheid, hand in hand - voor het evenwicht - met een op het ijs gevonden kompaan. En een dikke lip. Maar toch.

Het nagenieten kan beginnen. Zo wordt al gauw verdrongen hoe zwaar het soms was, hoe onverantwoord misschien wel.

De start is vloeiend. Een kwartier eerder dan gedacht, om half negen, glijd ik het ijs van de Zwettehaven op. Daarna doet de oostenwind de rest. Tot Stavoren dan. Ik flits binnen een uur Sneek voorbij, Ijlst is ook een makkie en ondanks een stukje tegenwind over het Slotermeer wordt ook Sloten in recordtijd bereikt. Nog heeft de wind er geen genoeg van. Over meren en door bossen duwt hij me naar Stavoren.

Dan is het half twaalf en begint de Elfstedentocht.

Benen
Men kan zich sparen. Men kan zich voornemen zeventig kilometer lang niets teveel te doen en alle krachten te verzamelen voor de vervelende stukken met tegenwind. Maar als de wind vervolgens werkelijk loodrecht op de ijsmuts staat zijn de voorgaande zeventig kilometers opeens heel goed voelbaar. Net buiten Stavoren is de lol eraf. De snijdende tegenwind neemt de vaart uit mijn tocht. Op onoogelijke vaarten - in vlak polderland pal aan de IJsselmeerdijk - val ik al in de eerste kilometers stil. 'Zoek op dat moment de groep', verzekerde een ervaren Elfstedenrijder mij de dag ervoor. Ik zoek.

De goede groep bestaat voor de schaatsenrijder van mijn soort uit boerenzoonachtige Friezen en Drenten die zelden te beroerd zijn in de wind te rijden en bovendien de snelheid tot het redelijke beperkt houden. Deze groepen tellen doorgaans een man of twaalf. Ze vinden het een schone taak om kilometerslang schaatsbroeders in een gestaag tempo op sleeptouw te nemen.

Zulke groepen vind ik. Tot de duisternis valt slepen Drenten en Friezen in de bloei van hun leven mij over het ijs. En het heerlijke is dat zij af en toe de rug rechten om mij de gelegenheid te bieden de spieren wat rust te geven. Toch voel ik al in Bolsward een lichte kramp in de knieholte. Ik besef dat mijn lichaam rare capriolen de volgende 101 kilometer niet meer accepteert.

Quote

Even denk ik aan uitstappen. Bij Bolsward waait de wind bijzonder hard, zo lijkt het wel

Badkuipen
Ik leef op meegenomen mueslirepen, bananen, druivensuiker en sportdrankjes. En van die vriendelijke Friezen krijg ik tweehonderd kilometer lang koppen thee, koffie, warm water, bouillon - geschept uit badkuipen - mandarijnen en marsjes. Middenin een vergeten polderland, op een kilometer of tien van Harlingen, heeft een supermarkt een tent neergezet waarin de gehele dag duizenden blikken erwtensoep worden opgewarmd. Heerlijke erwtensoep in koffiebekertjes. Ik neem er vier en ga voort.

Even denk ik aan uitstappen. Bij Bolsward waait de wind bijzonder hard, zo lijkt het wel. Geen groepje te zien. Ik kruip achter een zestiger met trage tred.

Ik knap op. In Bolsward is het leven al weer wat beter. En het is pas twee uur. Het zal toch niet gaan lukken?

Vervolgens zit het weer echt even mee. Naar Harlingen waait de wind af en toe heerlijk in de rug. Dan volgt de krachtproef. Pal tegen de oostenwind moeten Franeker, Bartlehiem en Dokkum worden gehaald. Ik mag nu niet stilvallen en moet gestaag doorschaatsen. De tijd zal het probleem niet meer zijn. Maar wil het lichaam de tocht volbrengen? De kramp laat zich vaker voelen. Ik ben bang dat ik bij de eerste val heel moeilijk op kan staan. Op taluds naast de vaarten zitten of liggen schaatsers. De wind is meedogenloos.

Donker
Nog ruim vijftig kilometer moeten worden bedwongen. Bovendien wordt het nu spoedig donker. Franeker haal ik in een slakkengang. Maar daardoor zijn mijn beste krachten wellicht bewaard voor de laatste zeventig kilometer. Over de beruchte Blikvaart - het ijs wordt daar deze winter gevreesd voor zijn vervaarlijke scheuren - schiet ik vooruit. Ik vind mijn favoriete groepje boerenzonen en het tempo wordt opgevoerd. Soms, heel soms, rijd ik zelf in de wind naar andere groepjes toe.

Het wordt grimmiger. Onze groep dunt uit. Rauwe kreten van vallende kompanen. De door de duitsernis bijna onzichtbare scheuren maken stelselmatig hun slachtoffers. De één blijft nog met moeite overeind, de ander wordt in enkele minuten drie keer getroffen. Twee schaatsers raken elkaar en belanden beiden in de sneeuw. Volgers donderen over hen heen. De anderen schaatsen door. Het is nu ieder voor zich. Soms vliegt een helikopter laag over. Zoeklichten speuren het ijs af naar slachtoffers.

Quote

In een kwartier tijd val ik drie keer - valpartij­en waren mij tot dan bespaard gebleven. De concentra­tie lijkt weggeëbd

Ellende
In de donkere avond duikt opeens een blauw knipperlicht op. 'Geheime stempelcontrole'. Een rayonhoofd - het staat op een armband - knipt in mijn stempelkaart. ,,Kom op, nog vijfentwintig kilometer naar Bartlehiem.'' Dat is een tegenvaller. Duurt nog zeker een uur of anderhalf, misschien wel twee.

Dit doodt de moraal. En de schaatskunst. In een kwartier tijd val ik drie keer - valpartijen waren mij tot dan bespaard gebleven. De concentratie lijkt weggeëbd. Ik val nog drie keer.

Mijn gezichtsvermogen gaat achteruit. Eerst denk ik dat de skibril beslagen is. Vlak voor Bartlehiem merk ik dat het licht mij verblindt en verwordt tot vage schijnsels. Scheuren kan ik nauwelijks nog zien.

Paniek overvalt me. Bij het binnenrijden van Bartlehiem geniet ik niet van het deinende publiek met het 'We zijn er bijna'. Bij een koek en zopie-tent wrijf ik wat vocht uit mijn ogen. Het zicht wordt weer wat beter. Op naar Dokkum. Over de Dokkummer Ee met de kop in de wind.

Dan gebeurt het. Ik kan nauwelijks nog zien. Volg schimmen, schrik van lichtbundels. Denk een keer dat een tegenligger op me knalt. Maar 't is verbeelding. Aan de andere kant schieten schaatsers voorbij. Op weg naar Leeuwarden. Zij wel. Hun lampjes - handig in de duisternis - verblinden me. Maar ik schaats. Nu twijfel ik. Mag ik zo verder? Is dit nog verantwoord? Aan de twaalf kilometer naar Dokkum komt geen einde. Nog twee kilometer schat ik. ,,Nog zes!" roept een toeschouwer. Ik zie niets meer. Alleen schimmen en vage lichtbundels.

Quote

Na driehon­derd meter zie ik dat de poging zo heilloos is. Ik zie weer niets

EHBO
,,Kun je mij de stempelposten wijzen?" vraag ik een schaatskompaan bij het binnenrijden van Dokkum om kwart over negen. ,,Ik zie niets meer.''

Hij helpt mij naar de EHBO-post. ,,Oh, ik zie het al'', zegt een man in een geel hes. ,,De ogen. Hoornvlies bevroren.'' Hij belooft mij dat ik na een korte behandeling weer het ijs op kan. De dokter moppert, maar druppelt. ,,Waarom heb je de skibril niet opgehouden, jongen? Kom. Over een kwartier kan je weer zien, schaats je zo naar de Bonkevaart.''

De wereld wordt wat minder wazig. Ik zet aan. Hup, 24 kilometer naar Leeuwarden. Na driehonderd meter zie ik dat de poging zo heilloos is. Ik zie weer niets. Ik moet terug naar de EHBO-post. Ik spreek een toeschouwer aan. Betast 'm. ,,Mijnheer. Ik zie niets meer. Kunt u me terugbrengen naar de EHBO?''

Ik krijg geen antwoord. Niet zo vreemd merk ik bij het betasten. Ik praat tegen een dukdalf.

Een omstander ziet het gebeuren. Ik mag mijn handen op zijn schouders leggen en hij sleept me naar de politiescooter. Ik word opgetild. In de scooter gezet. Een man naast me op de achterbank grijnst me toe. Wat heb jij? Hij: ,,Ik ga van het ijs. Ik was net helemaal de kluts kwijt. Zag overal schaatsers op me af komen.''

Tussen bloedende blaren, geschonden neuzen, kinnen en enkels verzekert de dokter in de EHBO-post mij dat met mijn ogen niets bijzonders aan de hand is. ,,Of het verantwoord is verder te schaatsen, moet je zelf beslissen.''

Spijt
Ik besluit uit te stappen en vraag bij de stempelpost naar de uitvallersbus naar Leeuwarden. Die is net weg. De vrouw bij de stempelpost legt haar hand op mijn arm en zegt: ,,Maar waarom stop je nu? Daar krijg je je hele leven spijt van.'' Ik: ,,Ja, maar ik zie niets.'' Zij:,,Kom op. Sluit je aan bij de groep. Ga.''

Ik ga. Door de duisternis. Met angst en beven. God zegene de greep. 't Is kwart over tien. De tijd is het probleem niet. Alleen vreselijke valpartijen kunnen mij nog uit Leeuwarden houden.

Maar juist dat vrees ik. Want nog steeds zie ik slechts schimmen en verblindt het licht me. Ik volg een strompelende schaatser, omdat hij een zaklamp gebruikt. Met een kleine groep razen we voort, de wind vol in de rug. Het is gevaarlijk. Soms ben ik het lichtschijnsel kwijt. Soms word ik verblind. Door het licht van Bartlehiem bijvoorbeeld, waar we al gauw terugkeren. Ik buk voor een brug. Maar de brug staat open. Het publiek denkt dat ik geestig wil zijn. Met mijn schouders schamp ik de rechterkant van een viaduct.

Maar ik blijf overeind. Er volgen nog vier pittige kilometers met tegenwind, maar die gaan snel voorbij. De benen zijn goed, die zijn dat al de hele dag. Niet vallen, daar gaat het om.

Bonke
Maar ik kan het niet helpen. In de laatste kilometer, in de schaduw van de Bonkevaart, smak ik schreeuwend twee keer tegen het ijs. ,,Gaat het?'' vraagt een lotgenoot. Ik vertel over mijn halve blindheid. Rij in een scheur, wankel en val hard met mijn hoofd voorover. Een bloedende lip.

,,Kom jij maar met mij mee'', zegt de schaatser. Hij pakt mijn hand. We rijden hand in hand richting de Bonkevaart. Ik vertel hem over Rotterdam. Hij vertelt mij - terwijl hij mij net uit een scheur weet te houden - over Makkum, over zijn vader die al drie keer de Elfstedentocht voltooide.

Dan de Bonkevaart op. Een juichende menigte. Maar ik zie niets. Alleen licht. Mijn ogen doen pijn. 'Makkum' zegt: ,, We doen nu onze armen in de lucht, oké?''

Ik zie het finishdoek. Het einde. Ik wankel het plankier op naar de stempelpost. ,,Pas op voor je schaatsen. Niet op de stenen ermee'', waarschuwt een stem. Ik mompel iets over deze winter niet meer schaatsen en over volgende week slijpen. De man zegt lachend: ,,En volgend jaar dan?''

,,Weet je wie dat was?'', vraagt 'Makkum'. ,,Dat was de voorzitter zelve. Henk Kroes van de Friesche Elf Steden.

Als een bijna blinde man loop ik een half uur later door de grote aankomsthal. De volgende morgen heb ik mijn gezichtsvermogen terug.

Overige sporten