Volledig scherm
PREMIUM
Een brandweeroefening bij de Sint Stevenskerk in Nijmegen. © Paul Rapp

,,Telkens als ik de Matthäus hoor, denk ik aan die middag”

De eerste keer dat ik de Matthäuspassion helemaal hoorde, herinner ik me sterk. Was in de middag van Goede Vrijdag 1975, dus vrij laat in mijn leven, maar daarvoor dacht ik dat ik niets had met de muziek van de generatie die niet de mijne was. Ik bleef lang puber.

Het was in Nijmegen, bij de dichter en vertaler Pé Hawinkels. Herman Brood die daar logeerde, kwam zeggen dat het de mooiste muziek van alle tijden was. Was niet moeilijk hem te geloven. Toen ik later in de middag naar huis liep, wist ik dat ik iets had meegemaakt dat er mijn hele leven zou zijn. Telkens als ik de Matthäus hoor, denk ik aan die middag.

Ik ben erg gefascineerd door de momenten dat je voor het eerst iets vól overkomt. De eerste alles overheersende verliefdheid, de eerste rouw, de eerste keer dat je zeker wist dat je onstuitbaar gelukkig was, de eerste keer dat je werd belazerd, de eerste keer dat je dacht: nu heb ik écht iets goed gedaan, die triomf.

Als er zich later weer zo’n moment aandient, denk je aan dat van toen, een herinnering die je niet eens hoeft op te roepen, die er gewoon is, net alsof die wil zeggen: ja, toen begon het!

Toen ik maandagavond hoorde dat de Notre Dame in brand stond, vond ik dat natuurlijk schokkend.
Behalve dat ik me afvroeg met welke kerk in Nederland ik dat ook zou hebben (Stevenskerk in Nijmegen), dacht ik aan een zaterdag voor Pasen in Parijs. Ik dwaalde door een periode van mijn leven die donker was. Op die zaterdag liep ik vroeg in de ochtend de kathedraal binnen. Het beloofde een mooie dag te worden, maar het was nog mistig. Ik geloof dat ik langer dan een uur in die kerk zat en toen ik buiten kwam, was de lente popelend losgebroken. Ik ademde optimisme in.

  1. Zal ik eens wat zeggen: ik leid een hartstikke intellectueel leven
    PREMIUM
    Column Thomas Verbogt

    Zal ik eens wat zeggen: ik leid een hartstikke intellectu­eel leven

    In een krant las ik ‘moeilijke kijkers’, in een andere ‘moeilijk bereikbare kijkers’. Het gaat over de NPO die het mes in het televisieamusement zet. De overheid vindt dat er te veel ‘plat vermaak’ wordt uitgezonden. Dat is meer iets voor de commerciële omroepen. Bij de NPO moet het ernstig zijn, in ieder geval ergens op slaan of belangstelling prikkelen of hoe je het ook wilt noemen.

Columns