Volledig scherm
Buurtbewoners, genodigden en dakozen eind vorig jaar tijdens de opening van de nieuwe inloopvoorziening voor daklozen aan de Nieuwegracht in Utrecht © Angeliek de Jonge

Utrecht wil daklozenproblematiek te lijf met betere begeleiding

Utrecht wil het aantal daklozen in de stad terugdringen door betere begeleiding. De stad wil met rijkssteun en samen met regiogemeenten een aanpak opzetten die structureel zorgt voor minder dak- en thuislozen.

Utrecht biedt iedere dag 230 daklozen een plek in de opvang en nog eens een veelvoud aan daklozen zwerft op straat of huist tijdelijk bij vrienden of kennissen. De stad kent 218 bedden en in de winter nog eens 45 extra. Een schatting over hoeveel daklozen Utrecht afgelopen jaren extra heeft gekregen, is volgens een woordvoerder niet goed mogelijk. De gesignaleerde stijging is namelijk alleen gebaseerd op mensen die bekend zijn via de voorzieningen. Jaarlijks geeft de stad een slordige 80 miljoen euro uit aan beschermd wonen en 25 miljoen euro aan (maatschappelijke) opvang. Het landelijke aantal daklozen verdubbelde afgelopen tien jaar tot 40.000, waarvan 10.000 extra afgelopen 2 jaar. Het aantal dakloze jongeren verdrievoudigde zelfs.

Innovatie

Als innovatie om alle Utrechtse daklozen te huisvesten noemt de stad het corporatiehotel als praktijkvoorbeeld. Daar worden via de zorgaanbieder (de Tussenvoorziening) samen met woningcorporaties plekken aangeboden voor mensen die acuut betaalbare woonruimte nodig hebben. Dat gebeurt aan de Blauwkapelseweg (25 kamers) en aan het Cremerplein (20 woonplekken). Verder loopt een preventieve aanpak om te voorkomen dat mensen hun huis verliezen en is dit jaar een tienpuntenplan tegen terugval in dakloosheid opgesteld. 

Met extra rijksgeld wil Utrecht met zorgaanbieders, ervaringsdeskundigen, woningcorporaties en andere betrokken partijen een gezamenlijke aanpak opzetten. Daarbij staat begeleiding van daklozen centraal, om terugval in dakloosheid door persoonlijke problemen te voorkomen. Utrecht wil met omliggende gemeenten ‘housing first’ oppakken. Dit is een Amerikaans idee waarbij mensen wonen met intensieve begeleiding, om terugval te voorkomen en toewerken naar zelfstandig wonen.

Noodklok 

Na de brandbrief die Utrecht vrijdag samen met Den Haag, Rotterdam en Amsterdam heeft gestuurd over het gebrek aan opvangplekken voor daklozen, luidt ook de VNG de noodklok. De Vereniging Nederlandse Gemeenten voorziet zonder maatregelen komende jaren een aanhoudende toename van dak- en thuislozen. 

Doel van de brief is een landelijke aanpak om dak- en thuisloosheid in Nederland terug te dringen. De VNG noemt als reden voor de toenemende stroom onder andere de afbouw van bedden in instellingen en afnemende beschikbaarheid van behandeling, zoals voor verslavingszorg.

Schulden

De problematiek van dak- en thuislozen neemt volgens betrokken instanties en gemeenten toe. Vaak betreft het mensen die na een scheiding, schulden of verlies van een baan hun woning verliezen en vanwege het tekort aan betaalbare huisvesting niet in staat zijn om een passende woning te vinden. Volgens de VNG zijn de mensen op gemeentelijke opvangplekken lang niet altijd meer de daklozen van vroeger met een geschiedenis van buitenslapen en een verslavingsproblematiek. Bestuurder Miriam Haagh: ,,Dit is natuurlijk in de eerste plaats verschrikkelijk voor de mensen die het betreft. Maar het is ook een maatschappelijk probleem.”

Quote

We zien in een aantal steden steeds vaker mensen in de opvang die al eerder een beschermd of begeleid wonen traject hebben gevolgd.

Clemens Blaas, Federatie Opvang

De VNG wil een gezamenlijke aanpak van de problemen samen met het rijk, woningbouwcorporaties en zorgaanbieders. Verder klinkt ook hier de roep om voldoende passende woonruimte. Net als meer geld van het rijk, zodat voldoende budget ontstaat voor gemeenten om begeleiding en ondersteuning te bieden om dakloosheid te voorkomen. Precies zoals ook Utrecht voor ogen heeft. Miriam Haagh: ,,De huidige ontwikkelingen staan in schril contrast met de continue boodschap van het kabinet dat het goed gaat met de economie en dat iedere Nederlander hiervan profiteert.”